– laatste bewerking op deze pagina:
23 april 2026

© Ludo Grégoire, Leiden.
Woord vooraf
Dit boek is ontstaan uit een verlangen om een leven te begrijpen dat zich niet in één richting laat lezen.
Esther is geen reconstructie, geen verslag, geen getuigenis, maar een poging om intieme nabijheid te vinden in de ruimte tussen feit en verbeelding.
De roman volgt de lijnen van een persoon die zich telkens opnieuw wil, maar ook moet uitvinden.
Sommige gebeurtenissen zijn waargebeurd, andere hadden waar kunnen zijn, en weer andere zijn slechts denkbaar omdat de werkelijkheid ze niet toestond.
Wie dit boek leest, betreedt een wereld waarin liefde, verlies, groei en kwetsbaarheid elkaar voortdurend spiegelen. Het is een verhaal over zijn, worden en verdwijnen, over de vraag wie we zijn en wie we hadden kunnen zijn als de tijd ons niet had ingehaald.
En over de kracht van verbinding – zelfs wanneer die verbroken lijkt.
Mijn dank gaat uit naar allen die mij en dit proces hebben gedragen, gecorrigeerd en verrijkt.
Zonder hen was dit boek niet geschreven. Of toch? Maar dan was het een ander boek geworden.
Ludo Grégoire
To be and not to be, that’s the answer
Hoofdstuk 1 Een boek over ons (eind 2019)
Esthers geboortedag was níet 14 december 1991.
Maar op veertien december werd wel altijd haar verjaardag gevierd, dit jaar haar achtentwintigste. Iedereen vond die datum al jaren prima, ook Esther zelf.
De verjaardag was supergezellig. Iedereen die erbij hoorde was present.
Bíjna iedereen.
‘s Ochtends waren haar broers Timo en Samuel er, hun partners Laura en Paulina en hun kinderen, Lex’ kleinkinderen.
En ’s middags was Lex zelf er. Hij zou blijven eten en pas ’s avonds laat naar huis rijden.
Esthers dochter Arina, Lex’ jongste kleinkind, had zelf chocoladekoekjes en pepernoten gebakken. ’s Middags bij de koffie reikte ze Lex een klein glazen schaaltje aan, zo’n schoteltje voor een uitlekkend theezakje. Op het schaaltje lagen een koekje en twee pepernoten.
De chocoladegeur verspreidde zich.
‘Hier, opa Lex, deze zijn voor jou!’ klonk haar helderhoge stemmetje.
‘Dank je wel, schat, heerlijk.’
De pepernoten smaakten prima, misschien iets te veel anijs, maar ja, de pâtissière was nog geen vijf.
Het was een wondermooi kind. Glanzende zwarte golvende haren, bijna zwarte irissen in smetteloos witte oogbollen, een licht‑mokkakleurige huid. Evenzovele magneten voor Lex’ ogen. Om steeds weer bij weg te smelten.
Esther kwam achter zijn stoel staan en legde haar handen licht op zijn schouders.
‘Blijf je vanavond? Morgen is het zondag, je kunt logeren. Ik zou graag met je praten. Heb je nodig.’
‘Heb jij mij nodig of vind je dat ik dat praten nodig heb?’ grapte Lex.
‘Nu je het zegt… allebei.’
Lex gaf een kusje op haar linkerhand. Zijn oog viel op de zilveren slavenarmband. Nog net zo dierbaar als achtentwintig jaar geleden. De twee C’s en de inscripties.
Nu ze niet meer leefde, herinnerde Esthers verjaardag Lex telkens aan zijn verkeringsgeschiedenis met Caro. Hij dacht er met weemoed aan.
Esther had heerlijk gekookt. Indonesisch. Daging smoor en sajoer met djoeroek poeroet. Het recept was nog van Caro. Het zat in de multomap die Esther een paar jaar eerder van Lex had gekregen. Karakteristiek handschrift, rommelige indeling. Typisch Caro.
Vanwege de verjaardag mocht Arina iets langer opblijven, maar om een uur of acht was het bedtijd. Esther en Lex gingen met haar naar boven, naar haar kamer. Daar stond een hoogslaper met een laddertje. Onder de hoogslaper een uitstalling van Arina’s knuffels, allemaal verschillend. Zeker dertig. Naast het bed stond een grote fauteuil.
‘Opa Lex…?’
Hij onderdrukte de haast dwangmatige reflex om te reageren met: ‘Kleinkind Arina?’
Op hoe zijn kleinkinderen hem aanspraken had hij geen invloed kunnen uitoefenen. Niet willen ook, niet zijn pakkie an. Niet meer.
Maar de functienaam ‘opa’ paste hem niet.
‘Ja?’
‘Voorlezen?’ fleemde ze, vooral door hoe ze dat woord uitsprak: langgetrokken, de eerste lettergreep met nadruk, de tweede bijna ingeslikt, de derde omhoog.
‘Heel graag, daar ben ik dol op. In welk boek zijn jullie bezig?’
‘Mama leest voor uit Dat rijmt, hier ligt het. Maar jij moet uit dit boek voorlezen, daar staan allemaal hele leuke versjes in.’
Lex kende Ziezo van Annie M.G. Schmidt maar al te goed. Caro en hij hadden er aan de kinderen eindeloos uit voorgelezen. Op een gegeven moment wisten ze precies op welke bladzijde het rijmpje over de sproetenfee stond, of dat over het toverstokje van Hansje Pansje Pingeling.
Hij had ter gelegenheid van Sinterklaas 2015 op de tweedehands markt nog twee exemplaren op de kop getikt en ze alle drie met een gedicht doorgegeven aan de volgende generatie.
‘Oké, pak dat boek maar. Wat wil je horen?’
‘De sproetenfee, hier op bladzijde 193! En dan Ik ben lekker stout en dan De Hoppertjes!’
Esther gaf Arina een kus en een knuffel.
‘Ik ga het koffieapparaat aanzetten. Wil je straks een plak kwarkbrood?’
‘Doe maar. Lekker.’
Esther bleef nog eventjes in de deuropening staan en liet haar blik op Arina’s gezicht rusten.
‘Ze lijkt in elk geval niet op mij. Maar op wie dan wel?’
Ze wist het niet. Gek genoeg meende ze af en toe trekken van Bart te herkennen. Hoe zou het eigenlijk met hem zijn? Bartje… Hij moest eens weten.
‘Ze lijkt vooral op zichzelf,’ herhaalde ze in haar hoofd de zin die ze altijd uitsprak wanneer wie dan ook maar over uiterlijke gelijkenissen begon.
Ze verliet de slaapkamer.
Lex ging in de fauteuil zitten en Arina kroop op zijn schoot.
Na een korte pauze zette hij zijn voorleesstem op.
‘De mislukte fee…
Er was er ’s een moeder-fee.
En had ze kindertjes? Ja, twee.’
Toen hij een half uur later de keuken inliep, zag hij het direct liggen, op de keukentafel.
Op een derde opengeslagen, op zijn kop, dunne zwarte viltschrijver ernaast. Dagboek Esther – 37 las hij, op zijn kop, op het omslag.
Bovenaan de rug was een rond wit stickertje geplakt: 37. En op de rug stond van beneden naar boven geschreven: 19 september 2019 – en dan een ongeveer even groot stuk wit.
‘Nog steeds.’
Ze antwoordde met een glimlach die haar gezicht nog mooier maakte.
‘Jazeker. Nog steeds. Inmiddels zonder lijntjeshulpvel. Gemiddeld ongeveer anderhalve dummy per jaar.
Het is als ademen, eten, bewegen, houden van. Zonder schrijven besta ik niet.’
‘Voor mij is dat precies zo.’
De koffieautomaat maalde ratelend de dark roast bonen. Hij ging zitten. Esther zette de twee kopjes koffie op de keukentafel.
‘Dat is toch wel heel leuk voor jou, dat je aan je kleinkinderen uit hetzelfde boek voorleest als waaruit jullie aan ons voorlazen.’
‘Zeker, dat is iets heel speciaals. Heerlijk, koffie.’
Lex voelde tranen opwellen. Gelukkig zette het niet door; omdat hij een ontsnappingsroute wist.
‘Waar wilde je het met mij over hebben?’
Afgezien van het geluid van het roerende lepeltje in het kopje was het stil. Lex zag dat ze nadacht. Ze zocht duidelijk naar een openingszin.
Ondertussen had ze twee plakken kwarkbrood uit de vriezer gepakt, volgens een recept dat hij nog van zijn Duitse tante Isa had gekregen en dat nu ook aan de volgende generatie was doorgegeven.
Ze stopte de plakken in de broodrooster. ‘Heel even ontdooien en warm laten worden. Net zo lekker als direct uit de oven.’
De geuren van gekaramelliseerde suiker en warme rozijnen kringelden door de kamer.
‘We hebben bij de geboorte van Arina geregeld dat jij voogd van haar zult zijn als ik zou komen te overlijden. Maar jij bent nu toch ook op leeftijd en we wonen niet meer samen.
Vind je het goed als ik Timo en Samuel vraag om in onderling overleg te bepalen bij wie Arina in zo’n geval het beste af is?’
Die had hij niet zien aankomen. Hij voelde zich raar in zijn maag. Alsof een date had gezegd dat ze er wel klaar mee was, maar dan anders.
‘Je woont nu in Leiden. Arina zit op dezelfde school als de anderen in Borger. We zijn heel close. Niet alleen wij drieën en Paulina en Laura, maar ook de vijf kleintjes onderling. Heel erg.’
‘Natuurlijk is het beter dat een van je broers die hopelijk nooit nodige achtervang van mij overneemt. Daar hoef ik geen seconde over na te denken.’
Zijn stem trilde. Lex keek door water.
Ze legde haar hand op zijn arm. Alles wat gezegd moest worden, was gezegd. Het was goed.
Esther tapte nog twee koffies uit de automaat.
Terwijl de koffie volgeurend liep, merkte Esther op: ‘Ik vind wel dat je de laatste tijd heel vaak in gedachten verzonken bent. Meestal ga je daarna als een bezetene op je toetsenbord los. Wat schrijf je allemaal?’
‘Klopt. Allerlei schrijfwerk loopt door elkaar heen. En het is ongelofelijk dat mijn brein dat allemaal gescheiden kan houden. Voor de volgende druk van ons anatomie-en-fysiologieboek, lezersbrieven en opinies voor de krant, stukken voor privé, voor op mijn website, mails aan jan en alleman, tijdschriftartikelen.
Ik geniet er enorm van.’
‘Heb je wel eens overwogen om een roman te schrijven? Volgens mij zou je dat ook heel goed kunnen.’
Dat deed hem bijzonder goed, zo’n impliciet compliment verpakt in echte interesse voor zijn passie: schrijven.
‘Mooi dat je dat vraagt, vind ik fijn. Ja, niet alleen overwogen maar ook al bezig. Aantekeningen maken, lappen concepttekst noteren, structuur bedenken.’
‘Waar moet het over gaan?’
‘Ik las in een artikel in de Volkskrant dat Joden in Amsterdam in de openbare ruimte geen keppeltje meer dragen omdat ze daardoor als Jood kenbaar zijn en dan gemakkelijk geconfronteerd kunnen worden met antisemitisme. Schelden, spugen, sissen, vervloeken. Omdat ik me wilde kunnen inleven in wat zoiets met je doet en in welke mate het zich openbaart, overwoog ik een keppeltje te gaan dragen en mijn ervaringen te noteren.’
‘Een keppeltje? Dat zie je toch eigenlijk alleen bij speciale gelegenheden zoals Dodenherdenking en zo?’
‘Klopt. Dus besloot ik om een minder, zeg maar, provocerende uiting te kiezen. Ik kocht een mooie zwarte Davidster aan een ketting, een halssieraad. En in april van dit jaar heb ik hem omgedaan. Wekenlang.’
‘En?’
Lex raakte even in gedachten verzonken. Razendsnel circuleerden er allerlei gedachten door zijn brein. Chaos, emotie, onsamenhangend, een optocht van diverse ervaringen.
Esther keek hem verwachtingsvol aan.
‘Ik kan er nog weinig meer over zeggen dan dat ik nogal wat te verstouwen heb gekregen. Nee nee, geen fysiek geweld. Gelukkig niet, maar wel stevige verbale confrontaties. Veel voorspelbare, maar evengoed veel onverwachte. En uit allerlei hoeken.
Meest gehoord: ‘Je bent toch geen Jood!’ en: ‘Ik mag toch aannemen dat je het verschrikkelijk vindt wat er in Palestina gebeurt?’
Esther bestudeerde Lex’ gezicht. Ze probeerde te lezen wat er in hem omging.
‘Ben je geïnspireerd door de reacties?’
‘Ja, dat wel. Maar het werd direct veel ingewikkelder dan ik vooraf had gedacht.’
‘Hoezo?’
‘Ik kon niet enkel opschrijven wat ik meemaakte. Ik moest tegelijkertijd mijn eigen positie bepalen en beschrijven.’
‘Dat vind ik eigenlijk wel logisch. Het Midden‑Oosten is al meer dan een eeuw een veelkoppig monster.’
Ze zwegen.
Toen: ‘Maar nu heb je het sieraad niet om, toch? Of zit het onder je T‑shirt?’
‘Nee. Na een week of zes heb ik de Davidster afgedaan. Voorlopig.’
‘Ga je wel verder met het schrijven over je ervaringen?’
‘Da’s wel de bedoeling.’
‘Hoe gaat dat boek heten?’
‘Gewoon. Davidster.’
‘En wanneer gaan we weer zien dat je als in een roes achter je toetsenbord ermee aan de gang bent?’
‘Voorlopig niet. Zit met iets anders in mijn hoofd… iets wat ik al heel lang overdenk, iets… intiemers.’
‘Je spreekt in raadselen.’
‘Ik heb het nog nooit met iemand besproken…’
‘Als je het niet wil vertellen, is dat natuurlijk prima. Maar misschien heb je dat praten juist nodig.’
Ze lachte. Open, met een uitnodigende blik. ‘Oké?’
Ze liet hem rustig peinzen. Heerlijk. Verbinding.
‘Ik heb een boek in mijn hoofd over jou, over ons, over mij en ons.’
Ze zei niets, haar elleboog op tafel, haar hoofd ietwat schuin, kin steunend in haar handpalm. Ze keek, hij zag. Houden van, wederzijds.
Toen lachte hij.
‘Het heet Esther.’
‘Haha, nogal origineel zeg!’
‘Maar… vind je dat goed?’
‘Daar ga jij toch alleen zelf over?’
‘Een boek over de belangrijkste vrouw in mijn leven.’
Lex zag haar enigszins nadenkend op die mededeling kauwen.
Lex sliep die nacht onrustig. Niet vanwege het logeerbed, maar omdat hij steeds weer invallen had over de roman. Wendingen, scènes en mogelijke dialogen dwaalden door zijn gedachten.
‘Niet vergeten.’ Iedere keer weer steekwoorden noteren in zijn iPhone.
De volgende ochtend ontbeten ze samen. De geur van de afbakbroodjes in de oven vermengde zich met het koffiearoma uit de De Longhi. Zachtgekookte eitjes, karnemelk, sinaasappelsap, trostomaatjes. En hartig beleg, voor elk wat wils.
Ze namen er ruim de tijd voor. Arina zat ook te smullen.
Onveranderlijk, Lex’ slotzin: ‘Dat was weer lekker, hè?!’
En vervolgens ruimde hij af.
Arina vleide vanuit de woonkamer: ‘Opa Lex, de tweeling zei gisteren dat jij kunt toveren dat mijn hand naar kruidkoek ruikt.’
Esther schoot in de lach. ‘Ja, dat kan Lex. Maar niet altijd.’
Die Esther. Ze wist niet dat hij voorbereid was. Bijna altijd.
‘Zo heeft de tweeling dat verklapt. Nou, oké dan. Ik moet eerst plassen, van al die koffie.’
Even later zag Esther hoe het ritueel zich voltrok.
Arina op Lex’ schoot, de uitleg van ruiken, neus dichtknijpen, diep in de ogen kijken.
Terwijl Lex met zijn vlakke handpalm over Arina’s handpalm streek, zegde hij het versje op, in het Maastrichts, elk woord traag getrokken op het ritme van het wrijven, zijn blik strak gericht in de verwachtingsvolle ogen van Arina.
‘Iech kin tovere,
Iech kin tovere…
‘Waarom praat opa Lex zo raar?’ onderbrak ze abrupt het versje. Ze keek vragend naar haar moeder.
Esther wist het antwoord: ‘De tovering werkt alleen in het Maastrichts. Zo praten ze in de stad waar Lex vandaan komt. Dialect, net zoiets als Drents.’
’O ja.’
Lex herstartte.
‘Iech kin tovere…
Iech kin tovere…
Tot dien hand
Naor peperkook ruuk!’
Ook bij Arina was er die diepe verbazing, dat ongeloof, de bewonderende verrassing.
En wéér toen het versje in het Nederlands volgde. Waarbij wonderbaarlijk genoeg de tovering nog steeds niet werkte…
Na de lunch namen ze afscheid. Als altijd hartelijk en warm.
‘Groeten aan Marly. En knufkus.’
‘Doe ik. Kusknuf.’
Ze omarmden elkaar stevig, lijf tegen lijf, wang tegen wang.
WERK IN UITVOERING
