Mestreech


– laatste bewerking op deze pagina:
24 oktober 2025

– aanbevolen schermstand: liggend/landscape

Observatie
Naarmate je verder de zeventig passeert, heb je in verhouding minder om naar uit te kijken en steeds meer om op te reflecteren.
Je heb daar bovendien meer tijd voor.
© Ludo Grégoire, 2 mei 2025

Mestreechs Volksleed. In: Eus eige Leedsjes.

Op deze websitepagina verhaal ik over de jaren 1951 t/m 1971.
Deels baseer ik me daarvoor op mijn herinneringen, gesteund door de vele foto’s in mijn episodische albumcollectie, deels op teksten die ik op verzoek van mijn zoon Simon maakte toen hij mij omstreeks het jaar 2010 voor zíjn verjaardag het boek: ‘Pa, vertel eens…’ gaf. Ik schreef naar aanleiding van de daarin opgenomen vragen over het verleden velerlei teksten om Simon op die wijze een ‘inkijkje in Ludo’ te verschaffen.

GROOTOUDERS EN OUDERS

De ouders van mijn moeder waren:
Oma: Tineke Blanckers, geboren op 14 december 1898 (?).
Opa:  Pie Gehem, geboren op 19 november 1897.
Waar ze geboren zijn, weet ik niet. Ik vermoed in Maastricht.

Oma – opa

De ouders van mijn vader waren:
Ama: Marie Trijbels, geboren op 17 augustus 1890.
Ampa: Leo Grégoire, geboren op 24 juli 1892.
Ook hun geboorteplaats weet ik niet.

Ama – ampa, 1963

Mijn moeder heette officieel Barbara maar werd Berthie genoemd. Mijn vader heette Dolf.
Mijn moeder is geboren op 15 augustus 1923 in Maastricht, waarschijnlijk op de Boschstraat in het Centrum.
En mijn vader is geboren op 16 juni 1924 in Maastricht, in de wijk St. Pieter, op Glacisweg 15.

NAMEN

Ik ben geboren op dinsdag 16 oktober 1951 om 03:15u. Thuis, dat wil zeggen in het huis op Marjoleinstraat 11, in de wijk Mariaberg, Maastricht.

Ik heet officieel: Ludo Gregoire. Waarom mijn ouders kozen voor de naam Ludo weet ik niet.
Mijn doopnamen heb ik laten schrappen. Het waarom daarvan en het proces dat ik daarbij heb doorlopen, vind je in het document Zelfbeschikkingsrecht op de voornaam.

Mijn moeder noemde mij liefkozend Luutsje. Ik luisterde ook naar Luut. Soms (Wilma) werd dat geschreven als Luud, maar het is met een t.
Pia’s koosnaam voor mij was Loet.

Het accent aigu dat ik altijd op de eerste e van mijn achternaam zet – Grégoire dus – is mogelijk op enig moment in de geschiedenis door een ambtenaar van de Burgerlijke Stand vergeten.
Mijn grootvader plaatste het, mijn vader plaatste het, ik blijf het zo schrijven, mijn twee zonen doen dat ook en ik denk dat mijn vier kleinkinderen dat ook gaan doen.
In de biografie die ik van mijn Tante Annie schreef, wijd ik op bladzijde 59 een kleine beschouwing aan het accent aigu.

MARJOLEINSTRAAT 11

Vanaf mijn geboorte tot medio 1961 woonden we op Marjoleinstraat 11. Het was in mijn beleving een groot huis, met een leefkeuken en een behoorlijk grote woonkamer, veel kamers boven, een groot souterrain en een grote tuin. Toen ik er later een paar keer ben gaan kijken, bleek het een klein huisje met een aan een souterrain grenzend tuintje.

Marjoleinstraat 11, Mariaberg, Maastricht

We woonden in het tweede huis vanaf de hoek. Naast ons, in het hoekhuis, woonde de familie Perry. Pa en ma waren goed bevriend met Toine en Nelly Perry. Ze waren alle vier lid van de Derde Orde van de paters Franciscanen. Toine was koster in de parochiekerk van Mariaberg. En Nelly was huisvrouw, later onderwijzeres. Ze hadden zeven kinderen: Han, Maria, Jos, Marie-Roos, Stef, Ton en Pieter. Met Jos – een jaar ouder dan ik – was ik bevriend. Hij nam in januari 2022 – via de Volkskrantredactie – contact met mij op. We hebben elkaar ‘hervonden’. Dierbaar. Zie Jos’ webpagina onder het tuimelvlakje Hotel California.
Jos heeft een prachtig boekje geschreven over het gezin waarin hij opgroeide. De Pandtuin. Ongeëvenaard. Zo’n boek had ik ook wel willen schrijven.

Ik ben de middelste van vijf kinderen. Op volgorde:
Dolf:          4 oktober 1948, flat Koningsplein in Wyck.
Marjo:      12 februari 1950, idem.
Ludo:       16 oktober 1951, Marjoleinstraat 11, Mariaberg.
Rolande: 18 oktober 1955, idem.
Monique: 1 juli 1958, idem.

Met geen van de vier heb ik veel opgetrokken. Ik was zowel Einzelgänger als vooral gericht op vriendjes, neefjes.
Rolande was, totdat ik ging studeren, mijn ‘lievelingszus’, omdat ik met haar een zekere zielsverwantschap voelde; met de anderen niet.

Ik heb veel herinneringen aan mijn jeugd, al vanaf de kleuterschool, toen ik 4 of 5 was. De kleuterschool was een houten schooltje in het ‘groen’ tussen de Florasingel en de Karimatastraat. Ik weet nog goed dat we op snikhete dagen geacht werden om gedurende een tijdje (kwartier? half uur?) met ons hoofd op onze armen (over elkaar) op het tafeltje te rusten. Stilte… Ik heb beelden in mijn hoofd van de superlieve kleuterjuf…
Ik was vrolijk, op mijzelf betrokken, vrij stil, enorm leergierig, doenig, slim, ondernemend.

Ons gezin was degelijk traditioneel rooms-katholiek. Mijn vader de pater familias, mijn moeder huisvrouw. Er was een behoorlijk conventionele rolverdeling in het gezin.
Thuis leerde ik lezen en de beginselen van rekenen nog vóór de lagere school.
Ik herinner me het eindeloos schommelen in een van de doorgangsdeuren van ons souterrain, het op straat spelen, het steppen en rolschaatsen, het logeren bij neven en nichtjes.

In mijn lagere schooltijd ging ik op woensdagmiddag vaak spelen bij de Bovy-kinderen in Wolder. Meestal gewoon heen en terug rennend. We hebben enorm veel plezier gehad met ons favoriete speelgoed Schuco Varianto en Lego.

In de schoolvakanties heb ik een aantal keren bij tantes gelogeerd: bij tante Jo (Gennip), bij tante Fien (Kerkrade), bij tante Rolande (Zwijndrecht), bij tante Isa (Retie). En dan eindeloos spelen met neven en nichtjes. Een dierbare tijd.
Van oom Ad leerde ik imkeren op Maria Roepaan in Ottersum, onvergetelijk. Van tante Fien leerde ik kaarsen maken uit oude kaarsstompjes, oom Bert zette mij voor het eerst van mijn leven op schaatsen op de bevroren vijver van Rolduc, tante Isa leerde mij slagroom kloppen, bramen en bosbessen plukken, cantharellen en eekhoorntjesbrood herkennen. En zo kan ik doorgaan. Een stabiele tijd waarin familie een grote rol speelde.

– Lied ter ere van Ampa&Ama’s 40-jarige bruiloft: Is ut missjien?

 

 

Volgens mij was ik mijn hele jeugd – ook daarna trouwens – supergezond. Wel herinner ik mij levendig dat mijn amandelen geknipt werden. Praktijk aan huis (Keizer Karelplein) van de KNO-arts. Na ontwaken uit de narcose kreeg ik een – in mijn ogen – kanjer van een zuigsnoepje, zo groot als de pit van een avocado en ook met die vorm.

PIUS X SCHOOL

Op Mariaberg, 170 meter van ons huis, stond de Pius X school. Mijn lagere school, gerund door de Broeders van Maastricht.
Ik had er een geweldige tijd. Veel geleerd en veel vriendjes.

BUITENSCHOOLS

Het liefst speelde ik buiten. Mariaberg was in de jaren vijftig een kinderrijke arbeiderswijk. In de straten stond nog geen enkele auto geparkeerd, de stoepen werden op vrijdag nog door de huisvrouwen in witte schorten geschrobt. De seizoenen waren gekenmerkt door periodieke rages als knikkeren, ‘kokerellen‘ (tollen), sneeuwpoppen bouwen, sleeën, hoelahoep, busgooien, ‘moerbok’, verstoppertje, bokje springen, tikkertje, elastieken, ‘reipe’ (hoepelen), ‘over het kerkhof gooien’, landje-pik, pijltjes blazen.
Het mooiste uur was na het avondeten; dan waren er zwermen spelende leeftijdgenoten op straat. Totdat de moeders hun kinderen naar binnen riepen omdat het bedtijd was.
Tussen de Florasingel en de Karimatastraat lag een braakliggend stuk grond. Daar konden we naar hartelust kuilen graven, een labyrint van paden slaan tussen de meterhoge brandnetels en fikkie stoken.
Binnen speelde ik met Schuco Varianto. Dat was weergaloos speelgoed, geen verjaardagscadeau maar gekregen ter gelegenheid van mijn Eerste Communie van peetoom Leo. Er zitten foto’s van dit moment in mijn vaders album (AG 3). Woensdagmiddag ging ik vaak naar Wolder (rennend) om te spelen bij mijn neefjes Paul en Marcel Bovy. Zij hadden ook Schuco. En Lego.
Het waren zeer gelukkige jeugdjaren, daar op Mariaberg.

ST. SERVAASBOLWERK 18

Op mijn tiende verhuisden we naar een koophuis op het Sint Servaasbolwerk 18. Een behoorlijk groot huis, huiskamers en suite, die later samengevoegd werden, een pijpenlakeuken, een tuin, drie slaapkamers (waaronder een kleintje) en een douche op de eerste verdieping. Op de tweede verdieping een behoorlijke zolderkamer (voor Dolf en mij) met een dakkapel aan de achterzijde, een knutselzolder en een smalle bergzolder.

Sint Servaasbolwerk 18, Maastricht

Ik ging vanuit dat huis – altijd rennend heen en terug – nog twee jaar naar de Pius X school op Mariaberg.

HENRIC VAN VELDEKE COLLEGE

Vanaf het leerjaar 1964 ging ik naar het gymnasium van het Henric van Veldekecollege in de Maastrichtse wijk St. Pieter. Op de fiets of rennend.

In het eerste jaar (lyceum) behoorde ik – zonder al te veel moeite – bij de besten van mijn klas. In het tweede jaar (gymnasium β) meende ik met even weinig inspanning te kunnen volstaan. Resultaat: ik bleef zitten. Van die les heb ik mijn hele leven lang profijt gehad: wanneer je zorgt dat je de stof beheerst, hoef je je nooit zorgen te maken bij proefwerken, tentamens, examens.

In oktober 2024 nam Leo Bessems contact met mij op. Hij was klasgenoot van mij vanaf mijn tweede keer 2e klas tot en met de 5e klas toen hij doubleerde. Hij had mijn naam gegoogeld, benieuwd naar wat er van mij geworden was.
De enorm intensieve, boeiende, leuke mailwisseling leverde een schat aan informatie en ‘hervonden herinningen’ aan het Veldeke op. Ik verwerkte die tot een afzonderlijke webpagina: Veldeke.

HOBBY’S

Toen Dolf in militaire dienst ging en aansluitend met Thera in Wylre ging wonen, zo ongeveer 1969, werd de zolderverdieping ‘mijn domein’; om te studeren, te knutselen, te slapen, te lezen. Alles.
De dakkapel van mijn zolderkamer had een brede vensterbank. Daar heb ik ’s avonds en ’s nachts urenlang naar de maan, de planeten en de sterren gekeken. Met een gewone verrekijker. Fascinerend.Naast het hoofdeinde van mijn bed was nog een piepklein zijgevelraampje. Via dat raampje had ik voor mijn zelfgebouwde MW-radio contact gemaakt met een van de wikkeldraad van een defecte elektromotor zelfgemaakte meterslange antenne. Die liep van de top van een boom in de zijtuin naar de Japanse kers achter in de tuin. Prima ontvangst. Vaak in slaap gevallen bij het middernachtelijke Wilhelmus of de Brabançonne na het laatste nieuws.

Na schooltijd: lezen, fietsen, knutselen, fiets uit elkaar halen, poetsen en weer in elkaar zetten, sporten (fietsen, zwemmen, tafeltennis).

Ik had een grote verzameling Biggles. Die pocketboeken over de onverschrokken RAF-vliegenier in de Tweede Wereldoorlog, waarover de Britse schrijver W.E. Johns maar liefst 101 delen schreef. Volgens mij betaalde je voor zo’n pocket fl. 1,25 en later fl. 1,50.

Op een gegeven moment heb ik ze allemaal op de Vrijmarkt verkocht. Maar het kan ook zijn dat ze beland zijn in een grote kist met boeken op de vliering van Brederodestraat… omdat ik ze in Amsterdam niet meer in mijn boekenkast wilde hebben staan. Die kist met boeken heb ik nooit mee verhuisd. Hij zal er wel niet meer staan…

Op mijn tiende kreeg ik van mijn peettante Mia rolschaatsen. Van het merk Hudora. Prima dingen die je stevig aan/onder je schoenen kon vastmaken. IJzeren wieltjes nog, de rubberen kwamen pas later. Ik heb er zo eindeloos veel op gerolschaatst op de perfecte stoepen van het St. Servaasbolwerk en de Polvertorenstraat dat de wielen er op het laatst in flarden bij hingen.

In de laatste jaren van de lagere school en de eerste jaren op het Veldeke was ik ‘bij de verkenners’, dat werd later Scouting genoemd. Achter de Lambertuskerk was een gebouw waarin patrouillehutten in twee verdiepingen waren getimmerd voor de Lambertusgroep. Mijnheer Hermans, mijn ‘meester’ in de 5e van het Pius X, was mijn hopman en mijnheer Heuberger was vaandrig. Ik heb vele goede herinneringen aan de verkennerij.
Alle patrouilleleiders mochten in een of ander voorjaar met de hopman en de vaandrig op kamp, ik meen in Ellecom. We leerden er tenten opzetten, vuur maken, busbrood bakken, bomen omhakken, schillen en in stammen zagen. We leerden kaart- en kompaslezen, koken op houtvuur, sjorren en nog veel meer. Onvergetelijk.
De verkennerij had een systeem van het verwerven van insignes voor gebleken/bewezen vaardigheden. In een boekje kon je de mogelijke insignes opzoeken en de bijbehorende eisen. Dat sprak mij aan. Zo verwierf ik het een na het andere insigne dat door mijn moeder op een van de mouwen van mijn uniform genaaid werd. Insigne ‘vuurmaker’, ‘kaartlezer’, ‘kok’, ‘fietsenmaker’, ‘houthakker’ enzovoort.
Op een gegeven moment heb ik – wars van militaristische uitingen – alle insignes weggegooid. Net als alle door mij gewonnen medailles van zwemwedstrijden overigens.

Om een of andere reden hielden mijnheer Hermans en mijnheer Heuberger op een gegeven moment op met de verkennerij. Conflict? Maar ze gingen door met het bieden van ontmoetings- en doe-faciliteiten voor tieners. Tafeltennis, biljarten, luchtbuksschieten, darten. Op woensdag- en zaterdagmiddag. Ik heb er goede herinneringen aan.

Vanaf mijn middelbare school ontwikkelde zich bij mij de belangstelling voor de wielersport. Het waren de jaren van Eddy Merckx. Ik herinner mij dat tijdens de Tour de France er vanuit België dagelijks wielerkrantjes naar Maastricht gebracht werden door een jongen op een brommer. Zo’n krantje kon je dan om een uur of zeven bij de Lambertuskerk voor een kwartje bemachtigen. Er stond een verslag in van de dagetappe, foto’s, achtergrondverhalen en historische terugblikken. Mooi.

Op een of andere manier raakte ik geïnteresseerd in de Orde van de Witte Paters van Sparrendaal. Het had iets magisch, werken in de missie van Azië. Ik herinner me dat ze maandelijks een krantje toezonden dat ik met gretigheid las. Later, toen ik al met Pia was, ontdekte ik dat het hoofdgebouw van de Orde in Vught stond.

Niet onvermeld mag blijven dat ik in de laatste jaren van de lagere school en de eerste Veldeke-jaren misdienaar en later akoliet was bij de Franciscanen. Ik heb er alleen maar goede herinneringen aan. Er is zelfs een korte periode geweest – vanwege een misdienaarstekort – dat ik twee missen op een dag diende. Eentje om half zeven, daarna kreeg ik ontbijt in de refter  en dan om half acht de tweede. Goed gepland, zodat ik om half negen weer op het Veldeke kon zijn.
De ontbijten waren, vergeleken met thuis, een feest: gebakken eieren op toast en heerlijke koffie. Altijd zoveel als ik maar wilden, altijd met veel vriendelijkheid jegens mij omgeven. Dierbaar.

Achter ons huis op het St. Servaasbolwerk was een braakliggend stuk grond. Dat werd door de achterbuurman, mijnheer Rondagh, omgewerkt tot geitenweitje. Geiten en kippen waren zijn hobby. Een rare man in mijn ogen. Klein, kale kop, goudkleurig brilmontuur. Hij ging in een witte doktersjas de dieren voeren. De kippen kregen bloemkoolstronken te eten. De eitjes die hij vervolgens mijn moeder gaf (volgens mij had hij een oogje op haar) smaakten naar… juist.

Bijzondere herinneringen heb ik aan mevrouw Herben. Zij woonde in Aldenhof, het bejaardenhuis tegenover ons huis. Eerste verdieping, derde raam rechts van het trappenhuis. Op een gegeven dag – ik kwam thuis vanuit school – tikte zij op haar raam en wenkte mij. Onbevangen liep ik het bejaardenhuis binnen en zocht haar op in haar kamer. Lang verhaal kort: een jarenlange verbintenis van boodschappen doen, praatje maken, verhalen horen, beloond worden voor het gezelschap dat ik haar hield met thee, koekjes, snoepjes, later kleine geldelijke ‘donaties’. Bijzonder dierbaar. Ik ben dit blijven doen totdat ik ging studeren in Tilburg.
Ik weet niet meer precies welk jaar het was – ik denk 1974 – dat ik van de zoon van mevrouw Herben het bericht kreeg dat ze overleden was. Hij wilde in het weekend even langskomen op het Sint Servaasbolwerk; hij bedankte mij en drukte mij een envelop in handen: ‘Voor jou, omdat je er altijd voor haar was.’ Inhoud: een briefje van 25 gulden. Dierbare geste.

Net als mijn vader, heb ik een grote liefde voor muziek. Maar tot mijn grote spijt speel ik geen piano. Doodgewone pech door mijn positie in het gezin. Mijn vader was een enorme muziekliefhebber. Hij had een prachtige stem, tenor.
Hij wilde dolgraag zijn passie voor muziek overbrengen op zijn kinderen maar jammer genoeg viel dat zaad bij mijn broer Dolf (de oudste) en mijn oudere zus Marjo op de rotsen. Dan weet je het wel: ouders verliezen bij dergelijke ervaringen gemakkelijk de moed. En zo’n gezin met vijf kinderen in een klein huis… ga er maar eens aan staan. Ik denk dat ze het daarom bij mij niet eens meer geprobeerd hebben.
In mijn latere tienerjaren leerde ik mijzelf verdienstelijk mondharmonica spelen en daarna gitaar. En zingen natuurlijk. Dat heeft mijn vader helaas niet meer meegekregen.

Pa was het tegendeel van sportief. En ook ma was niet sportief. Het zal de toenmalige tijdgeest geweest zijn. Ik leerde wel schaken van pa.
Pa en ma speelden canasta met ama en ampa. Meestal na het zondagmiddageten waarop ama en ampa te gast waren.

Mijn racefiets was een helderrode Union Ancona Sprint met 10 derailleur-versnellingen. Bij elkaar gespaard door ’s zaterdags en in vakanties te werken op de afdeling ‘afwerking’ van de IJzergieterij Fonderie Millen. Daar was mijn vader bedrijfsleider. Ik heb eindeloos veel dekseltjes gemenied voor op elektra-verdeeldozen en met een wonderbaarlijke machine duizenden dekseltjes op die verdeeldozen gemonteerd. Leerzame en leuke tijd met fabrieksmensen.
Die fiets was belangrijk voor me. Heel veel gepoetst 😊. Roemloos einde: in 1973 brutaalweg gestolen (want op slot) vanaf de gevel van mijn toenmalig studentenhuis In den IJzeren Vrijer aan de Bredaseweg in Tilburg. Daar woonde ik samen met Mathieu, Wilma en Jeanne, later Kiekie.

OMA EN OPA

Oma was vaak bij ons thuis om mijn moeder te helpen met de was, met het verstelwerk, met het poetswerk. Altijd gezellig als ik thuis kwam uit school.
Op woensdagmiddagen en op zaterdagmiddagen ging ik vaak teevee kijken bij oma en opa, eerst op de Brusselseweg 130 en na hun verhuizing op de Prins Bisschopsingel. Wij hadden geen teevee; die kregen we pas in 1970, na het overlijden van pa. Oma en opa hadden een zwart-wit teevee van oom Léon gekregen. Die verdiende goed bij Euratom/Eurochemic, eerst in Narvik (N), daarna in Mol (B).

Zaterdagmiddagen leerde ik van opa alles over klussen aan de fiets en hij leerde mij vliegers maken. En hij leerde mij op de juiste manier met allerlei verschillende gereedschappen om te gaan. Zeer goede, dierbare herinneringen.

Rituelen
Eigenlijk herinner ik mijn opa alleen maar als gepensioneerd. Ik vermoed dat hij als zestien jarige jongen al bij de gemeente aan het werk gegaan is en dat hij dus op zijn 56ste (in 1953, ik was pas twee jaar), na veertig dienstjaren ‘van Drees mocht gaan trekken.’
Ik herinner me de vele keren dat hij ‘
de wèrreke ging inspektere’ dat wilde zeggen dat hij in kostuum, hoed op, paraplu aan de arm, de stad in trok om te kijken waar zijn nog actieve collega’s aan het werk waren. Met het riool, de waterleiding, de bestrating en wat dies meer zij. Hij kon daar uren in een kuil staan te kijken met een gematteerde bolknak in zijn mond.

Als het regende vergat hij steevast de paraplu op te steken.
Als hij na de ‘inspectie’ thuiskwam, schonk oma onveranderlijk een ‘awwe klaore’ (oude jenever) voor hem in. Zelf dronk ze enkel op zon- en feestdagen: bessenjenever of boerenjongens op sap.
Opa speelde vaak ‘solitaire’, het eenmans-patiencespel.

Omdat ik vaak bij opa en oma mijn huiswerk maakte zag ik, zittend tegenover hem aan de huiskamertafel, hoe dat voor opa werkte. ‘Now zegk? Ut is alweer oetgekaome!’, hoorde ik telkens weer.
Toen ik de gang van zaken eens goed observeerde bleek dat opa, ogenschijnlijk zonder dat hij het zelfs zélf in de gaten had, bij een vastloper vliegensvlug de bovenste kaart onderop de stapel schoof en vrolijk verder drietallen omkeerde.
Hoe mooi kan het zijn…

Tijdens mijn gymnasiumtijd ging ik – samen met mijn vader – op woensdagavonden vaak voetballen kijken bij oma en opa. Die woonden toen nog dichter bij ons in de buurt, op de Prins Bisschopssingel. Toen de Champions League nog zonder pretenties Europacup 1 heette. We troffen er oom Theo en tante Mia en we zaten op een rijtje naast elkaar gezette stoelen. Dierbare herinneringen. Dan kreeg ik ook koffie.

Pie, de voonke!
Opa draaide sigaretten van de goedkoopste shag. Snippers, flinters, geen draden. Wij typeerden die als: ‘Dat is wat ze aan het eind van de week na het aanvegen van de vloer in jouw buil doen.’ Als hij er na het draaien de brand in stak, vielen er onveranderlijk stukjes gloeiende tabak af. ‘
Pie, de voonke!’ riep mijn oma steevast. En dan sloeg mijn opa  langs zijn polyester overhemd. Maar dat zat dan al vol met brandplekken.

In de laatste gymnasiumklassen ging ik vaak mijn huiswerk bij oma en opa maken en leren voor het eindexamen. Lekker rustig.

Typeringen
Oma had een gevleugeld gezegde in huis om mensen te typeren die zich beter voordeden dan ze waren. Aanvankelijk vooral toegepast op ‘de clerus’ maar later veel algemener: ‘
Fien, wie gemaole kippestroont’.
Ook opa had zijn gezegde. Wanneer hij het eten uitzonderlijk lekker vond zei hij: ‘Ut liet zich naor binne lokke.’
Ik gebruik beide gezegden nog met enige regelmaat.

We hadden geen huisdieren, behalve ik – heel korte tijd – een cavia. En Dolf had goudvissen, later ‘guppies’ en neontetra’s.

Ik heb vanaf mijn zestiende eindeloos aan brommers geknutseld. De benodigde informatie haalde ik uit de Prisma-pocket ‘Brommers, scooters en motoren.’
Met mijn vriendje Hennie Dukers poetste en repareerde ik – tegen betaling – brommers van mensen in de buurt. Ik weet niet meer precies hoe, maar op mijn zeventiende had ik zelf een zoveelste hands brommer. Toen ik in Tilburg ging studeren was het klaar met de brommers.

GEZINSLEVEN

Ons gezin was heel traditioneel Rooms-Katholiek. Veel gezelligheid maar ook wel ruzies. Dolf vertoonde wat je nu ‘pestgedrag’ zou noemen. Daarvan heb ik veel last gehad, totdat ik door het vele sporten ineens sterker was. Toen was het ook direct ‘klaar’. Later heb ik met Dolf – sans rancune – een normale relatie opgebouwd.

Alle kinderen hadden een ‘taakje’ in het huishouden. Afwassen, tafel dekken, schoenen poetsen. Dat soort dingen. Op zaterdag kregen we een paar stuivers ‘taakgeld’.

Ik hielp heel graag in de keuken met koken. Niet alleen omdat ik dat leuk vond maar ook omdat ik dan gezellig in de omgeving van mijn moeder was. Zaterdagsavonds – zo ongeveer vanaf mijn elfde tot mijn veertiende – poetste ik samen met mijn moeder alle schoenen. De radio stond aan (hoorspel, muziek). En daarna speelden we dubbele patience. Dat doe ik nog altijd met veel plezier: schoenen poetsen.

Spelletjes samen in het gezin? Volgens mij niet. Later wel, tijdens de – vaak verregende – zomervakanties: monopolie, halma, mens-erger-je-niet. Met vriendjes: dammen en schaken.

Wij aten thuis super traditioneel: aardappelen, groente, een klein stukje vlees, kip of vis. Altijd lekker.
De woensdag vond ik een fijne dag omdat we dan verse friet maakten/aten. De vrijdag vond ik een fijne dag vanwege het feit dat we dan altijd vis (gefrituurde kabeljauw) aten. Voor katholieken gold immers: geen vlees op vrijdag. En op zaterdagen was er in de winter vaak erwtensoep, in de zomer rijstepap. Heerlijk.
Ik lustte altijd alles. Lievelingseten? Aardappelen. Soep, vooral soep. Later, toen ik al studeerde maakte ma altijd soep klaar als ik in het weekend thuiskwam. Ze gaf mij met een of andere verjaardag een extreem grote persoonlijke soepkom, rood. ‘Daar past tenminste wat in!’

In ‘onze kringen’ was het totaal niet gebruikelijk dat ouders ‘gesprekken voerden met kinderen’. Kinderen telden in dat soort levensbereiken helemaal niet mee.

Vanaf mijn zeventiende – toen pa dood was – heb ik een steeds intensiever communicatie met ma gekregen. Ze nam me in vertrouwen over haar gevoelens over het overlijden van pa en toonde haar emotie. We spraken veel over mijn activistische sociaaldemocratische ontwikkeling, over mijn twijfels over het geloof, over mijn antimilitarisme. We spraken over van alles maar weinig over seksualiteit.

Ma ging steeds meer twijfelen aan het Hiernamaals. Ik besprak met haar wat ze na haar dood wilde: ‘Niet begraven in het graf van papa. Cremeren.’ Uiteraard gerespecteerd.

FEESTEN

Aan verjaardagen werd thuis niet of nauwelijks aandacht besteed. Je mocht op school op een snoepje trakteren. En er werd voor je gezongen.
Wij vierden wel het naamfeest. Mijn naamdag is 25 augustus en de avond tevoren werd er voor je gezongen en kreeg je een (bescheiden) cadeautje.
Vanwege de drukte rond een verbouwing van Sint Servaasbolwerk 18 werd mijn naamfeest een keer vergeten. Dat vond ik verschrikkelijk. ‘s Avonds bij het naar bed gaan huilde ik. In plaats van troost, kreeg ik te horen dat het allemaal niet zo erg was. Daar dacht ik anders over. Dat het vergeten was, kon ik begrijpen. Dat het vervolgens weggewuifd werd, niet. En nog ben ik op dat punt kwetsbaar.

Sinterklaas was altijd het hoogtepunt in het jaar. Ongeveer een week voor Sinterklaas mochten we zingen en dan kwam Zwarte Piet ‘strooien’. Vanuit de voorzak in haar keukenschort liet mijn moeder handenvol snoepjes en pepernoten tegen de ruiten kletteren en door de kamer vliegen. Mijn vader rolde ongezien kokosnoten en sinaasappels de kamer door.
Sinterklaasdag zelf (6 december) stonden we in alle vroegte op, om te gaan kijken welke cadeautjes Sinterklaas ‘gereje’ (= gebracht) had. Al Sinterklaasliedjes zingend gingen we de trap af. De spanning, de vreugde. Heerlijk.
We vierden – toen ik klein was – elk jaar drie keer Sinterklaas: bij oma/opa, bij ama/ampa en thuis. Heel goede herinneringen. Er zijn veel foto’s van.
Later, zo ongeveer vanaf mijn elfde, vierden we surprise-avond. Je trok dan een lootje, kocht een cadeautje en maakte zo goed en zo kwaad als dat ging, een gedicht voor degene die je ‘getrokken’ had.

Carnaval was een ander hoogtepunt in het jaar. Verkleden, vlaai en koffie, optocht. Later, in de middelbare schooltijd, de stad in met vrienden en vriendinnen. Uitstekende herinneringen. Verkleed, zingend over straat, kroeg-in-kroeg-uit.

Behalve het vieren van de katholieke feesten zoals Kerstmis, Palmpasen, Pasen en de Eerste Communie ondernamen we verder weinig dingen als gezin.
Kerst en Oud en Nieuw? Heel traditioneel. Naar de kerk, uitgebreid eten, naar ama/ampa of oma/opa.

VAKANTIES

Ik herinner me geen dagjes uit. Ik ging in schoolvakanties logeren bij tante Corrie, tante Fien, tante Rolande, tante Jo, oom Léon en tante Isa. Daar had ik altijd veel plezier met neven en nichtjes. Van tante Fien leerde ik kaarsen maken van gesmolten kaarsstompjes, van oom Bert kreeg ik mijn eerste schaatsles op de vijver van Rolduc, oom Ad leerde mij imkeren op Maria Roepaan in Ottersum.
Oom Léon en tante Isa woonden tijdens mijn jeugdjaren in het stadje Retie in België. Zij hebben veel voor mij betekent.  Ik ging er in de zomervakantie een aantal keren logeren. Dan speelde ik met mijn neefjes Marc en Thom.
Oom Léon leerde mij – in zijn witte Ford Taunus 17m – op mijn 17e autorijden op de zandstraten van Retie (B)… Voor die ervaring ben ik hem nog steeds dankbaar. Ik zal het nooit vergeten: direct na mijn 18e verjaardag, met slechts acht officiële rijlessen, slaagde ik voor mijn rijexamen. Totale kosten: 160 gulden, precies wat ik ervoor gespaard had.
Van tante Isa leerde ik paddestoelen, bramen en bessen zoeken in het bos, ze leerde mij slagroom kloppen, kwarkbrood bakken en advocaat.
Tante Isa en oom Léon hadden vanuit de garage een handeltje, later handel, in open haarden van het merk Dovre. Die importeerden ze uit Noorwegen. Als ik bij hen logeerde, ging ik altijd mee ’s avonds en in het weekend om bestelde haarden uit te leveren. en ik hielp oom Léon met het bezorgen van Dovre open haarden. En als we dan ‘gewerkt’ hadden, nam hij me mee naar de kroeg om ‘Stella’ te drinken. Dierbaar.
Later liet oom Léon een grote ijzergieterij bouwen in Weelde en exporteerde hij Dovre open haarden over de hele wereld. Een miljoenenbedrijf.

Tante Isa – oom Léon, 14 oktober 2013 (Oud-Turnhout)

Echt ‘op vakantie’ was er tot de zomer van 1967 niet bij, geen geld. Toen mochten Marjo en ik mee naar Bodman am Bodensee, kelderwoning bij de familie Laabs. Mooie twee weken. En in 1968 idem dito maar nu met Rolande en Monique.

Oogappel
Mama: ‘Als het ons zo uitkomt, hoor je bij de oudsten dan weer bij de jongsten. Dat vind ik leuk.’

Ook herinner ik mij een weergaloos verblijf van twee weken in Worms. Ik was daar – ik denk dat ik 16 jaar was – met de zogenoemde Bouworde. Georganiseerd door de Paters Franciskanen hielpen jonge jongens (geen meiden) bij sociale bouwprojecten (woningen, scholen). Aan het einde van de eerste week kreeg ik een betonnen balk op mijn middelvinger. Uitgeschakeld. Maar het vele sociale contact maakte alles goed.

COMING OF AGE EN VERDER

Mijn eerst zoen kreeg ik van Marjon van Florop. Zij was mijn eerste volledig doorleefde verliefdheid en liefde. Heerlijk. Samen naar het zwembad in de zomer, samen naar de jongerensociëteit Kombi, samen naar dansles, samen carnaval.

Seksuele voorlichting heb ik eigenlijk niet gehad. De biologie van de voortplanting leerde ik – heel summier – in de biologieles van docent Schure op het gymnasium. De details en vooral wat er wat betreft gevoelens bij kwam kijken, leerde ik – met vallen en opstaan – in de praktijk.

Ik heb altijd een fascinatie voor studeren gehad en gehouden. Wel – zoals boven verklaard – altijd voldoende tijd in de studie gestoken voor uitstekende resultaten. Ik heb me nooit zorgen gemaakt over de uitslag van tentamens en/of examens.

Belangrijke momenten in de wereldgeschiedenis tijdens mijn jeugd? De Cubacrisis, de moord op president John Kennedy, de moord op Martin Luther King, de moord op Ted Kennedy. Ik heb een levendige herinnering aan het moment dat Marjo mij vertelde dat John Kennedy vermoord was.

Volgens mij heb ik niet gepuberd.
Ik las alles wat los en vast zat. Ging steeds meer twijfelen aan de ‘waarheden’ van mijn ouders maar ik zocht niet de confrontatie. Had een ongebreidelde vrijheidsbehoefte. Door de vroege dood van mijn vader en het feit dat mijn moeder haar handen vol had aan ‘de kleintjes’, bovendien alles wat ik wilde doen en deed, goed vond, kreeg ik de kans om mij geheel vanuit mijzelf te ontwikkelen. Ik weet vrij zeker dat dat heel anders zou zijn gegaan als mijn vader was blijven leven. Mijn moeder zei – haar met dat gevoel meermaals geconfronteerd hebbende – altijd: ‘Papa zou wel begrepen hebben, dat jij die vrijheid nodig had.’ Solidair, te prijzen, maar voor mij: onwaarschijnlijk.

VARIA

In 1968 ontdekte ik de muziek van Van Morrison en Them. Mijn vader vond moderne muziek maar ‘herrie’. Ik weet nog dat ik mijn oor tegen de stof van de luidspreker van de radio drukte om die geweldige muziek goed te kunnen beluisteren, zonder dat mijn vader – ook aanwezig in de kamer – die kon horen.

Ik ging in mijn gymnasiumtijd jarenlang naar dansschool en later met vriendin Marjon en vrienden naar jeugdsociëteit Kombi. Vaak zelfs de drie weekendavonden. Swingen, chillen (dat woord bestond nog niet), kletsen.
Ik heb levendige herinneringen aan een groot(s) feest op Fort Sint Pieter met de leden van Sociëteit Kombi. Varken aan het spit. Muziek, verliefd, dansen, plezier.
De laatste gymnasiumjaren en in het eerste jaar van de Sportacademie toen ik in het weekend nog naar ‘huis’ ging, eindigde ik altijd in café De Tribunal aan het begin van de Tongersestraat met tot slot een patatje van Rika, een paar huizen verder. Ik bezocht en bezoek dat café altijd als ik terug was/ben in Maastricht. Voor Marijke was dat café tijdens haar studiejaren in Maastricht ook een van haar vaste ankerpunten. Grappige samenloop.

In de laatste twee jaar van het gym ging ik – vanwege mijn toenmalige liefde Maria Hammerschmidt – carnaval vieren in Keulen. Heel veel pret gehad. En belangrijke vriendschappen beleefd: Wolfgang en Gregor Bund, Carl Segtem.

Als kind en puber kreeg ik zakgeld – hoeveel weet ik niet meer – en ‘taakgeld’ (zie boven). Bovendien verdiende ik bij met het werk in/voor de fabriek waarvan mijn vader bedrijfsleider was. Ik kon verschrikkelijk goed sparen, voor een nieuwe racefiets, voor een opblaaskajak, om Schuco Varianto te kopen.

In 1971 slaagde ik voor het gymnasium-examen. En kon een nieuw tijdperk beginnen: de Sportacademie in Tilburg.

Ik ga bijna altijd even kijken op die ‘plekjes van vroeger’ als ik weer eens een weekendje Maastricht ‘vier’.

Aldenhofpark, december 1990