– laatste bewerking op deze pagina:
23 september 2025
Observatie
Naarmate je verder de zeventig passeert, heb je in verhouding minder om naar uit te kijken en steeds meer om op te reflecteren.
Je heb daar bovendien meer tijd voor.
© Ludo Grégoire, 2 mei 2025
Reizen zit diep en wijdvertakt in mijn DNA. En al tijdens mijn late tienerjaren vormde zich in mijn brein het idee om ooit een langdurige wereldreis te maken.
Na het overlijden van mijn vader medio 1969 ontdekte ik – mijn moeder vond alles goed – hoe gemakkelijk het was om in Europa te liften. Eerst naar Duitsland en door België naar Frankrijk, later naar Spanje, naar Scandinavië, door Joegoslavië naar Griekenland, Italië en via Zwitserland weer terug.
Hiermee bouwde ik reiservaring op en vooral (zelf)vertrouwen, beide noodzakelijk voor langdurig reizen. En ook mijn reis/verblijf medio 1973 van drie maanden in de Verenigde Staten, na mijn tweede jaar op de Sportacademie in Tilburg droeg daar substantieel aan bij.
Toen Pia en ik in 1974 een liefdesrelatie kregen, zei ik enigszins vragend: ‘Maar ik weet al heel lang dat ik een wereldreis wil maken…’ Pia: ‘Ik ga mee.’ 🥰
Bij de jaarwisseling 1976-1977 besloten we dat we op 1 augustus 1978 ‘vertrokken zouden zijn’.
We spaarden, we deden zuinig, we gingen alles voorbereiden. We verzamelden informatie en vonden daarbij de enorm relevante, vijfdelige brochure: Reistips Azië.
Oom Jaap, in de autohandel, zocht en vond in februari van 1978 voor ons een ‘kale’ VW-T2, prijskaartje: 6.000 gulden.
Over hoe we een vrijwel complete inbouwset bemachtigden, verhaal ik op de webpagina 🧲 de Geluksmagneet 🍀. Daar staan nog meer verhalen over onze reis.
De verdere aanloop naar de reis staat beschreven op het eerste deel van de webpagina Amsterdam – IFLO/FBW.
Ik ‘pauzeerde’ mijn studie aan de Faculteit Bewegingswetenschappen, we namen per 1 juli 1978 ontslag van onze banen, ontruimden Uilenstede 274 (app. 1911) en startten een ‘afscheidstoernee’ door Nederland: Groningen (oma), Vledder (Metty), Tilburg (Fennie, Kiekie&Peer), Vught (ouders Pia, Fred&Els), Wessem (Mathieu&Wilma, Louise&Leo), Thorn (pa&ma Geelen), Maastricht (ma Grégoire, Dolf&Thera, Marjo&Wolfgang).
En op 30 juli ’s avonds om elf uur vertrokken we uit Maastricht. In onze hippiebus, Overland to Asia. En dan op een of andere manier naar Oceanië, om Dave&Rita en Gerry (van de Camp America reis in 1973) te bezoeken.
Pia schreef vier reisdagboeken vol, bijna duizend pagina’s. Over wat we meemaakten maar ook over onze ontmoetingen, onze gesprekken, onze gedachten, onze gevoelens, onze ruzies en hoe we het weer ‘goed’ maakten, met recepten, met ideeën voor de toekomst, onze idealen.
Een schatkist. Voor mij en voor Thomas en Simon.
En ik maakte twee mega-albums met foto’s, bijschriften, landkaarten en andere informatie.
Op deze websitepagina wordt grofweg de route besproken die we gevolgd hebben, afgewisseld met een enkele foto en met hier en daar een ‘uitstapje’ naar een gebeurtenis of een belevenis.
Details staan in de mega-albums maar vooral in de reisdagboeken. Opvallend daarbij zijn de vele, vele fijne mensen die we ontmoet hebben en met wie we – vaak zeer intensief – contact hadden. Dierbaar.
Bedenk bij het bekijken en het lezen van deze webpagina dat er in het tijdsgewricht van onze reis geen gps was voor navigatie, geen GPX-bestanden met routes, slechts beperkt bruikbare landkaarten voor het Midden- en Verre Oosten.
We reden naar Zuid-Duitsland, bezochten Dachau en reden vervolgens via Oostenrijk naar Joegoslavië.
Eerste hoogtepunt: de Plitvice Meren in Slovenië.
Vervolgens gingen we naar het dorpje Mlini aan de kust. Daar hadden we met Bert en Ans afgesproken op de camping. We vierden er op vakantie onze vriendschap en het afscheid voor onze reis. We bakten dagen op het naturistenstrand, gingen lekker uit eten, speelden canasta en bezochten samen het prachtige Dubrovnik.
Na een fijne week samen gingen zij terug naar Nederland, wij reisden verder naar Griekenland. Alle vakantiegangers reisden terug, wij reisden verder, naar en door Turkije. We bezochten de prachtige stad Istanbul met zijn Soek en zijn moskeeën.
En we bezochten de steden Bursa (bezoek aan hamam, zie Reisdagboek#1, p. 64-66) en Izmir.
We vergaapten ons aan Ephese.
We gingen baden in de warmwaterbronnen van Pamukalle.
Onderweg verbleven we met enige regelmaat in een zogenoemd BP-mocamp, een soort camping.
We reisden verder naar Antalya aan de zuidkust, we bezochten de hoofdstad Ankara, we bekeken de ondergrondse sites van Kaymakli en Derinkuyu, we zagen de onwaarschijnlijke tufsteenformaties in Capadocië.
Van daaruit reden we naar Malatya, richting Erzincan en naar Erzurum en vervolgens – zo snel mogelijk vanwege de onveiligheid aldaar – via ‘de militaire route’ door Oost-Turkije naar de grens met Iran.
In Teheran en in Mashad kwamen we terecht in ’toestanden’ die te maken hadden met de door de geestelijkheid geleide opstand tegen de Shah (zie Reisdagboek#1, p. 111-122).
We zijn er zo snel mogelijk vertrokken.
Bij de Afghaanse stad Herat kwamen we in een totaal andere cultuur terecht. Haast middeleeuws in vele opzichten. Maar zeer vriendelijk en gastvrij.
We verbleven in Herat, in Kandahar en in de hoofdstad Kabul. Meestal op de compound van een hotel. Daar troffen en spraken we met andere Aziëgangers.
We bezichtigden de twee prachtige Boeddha-beelden – 38 respectievelijk 55 meter hoog – in de vallei van Bamyan..
Barbaren
De Boeddha’s werden gebouwd in de 6e eeuw. Ondanks internationale protesten bliezen de Taliban in maart 2001 de twee beelden op. Motief: ‘Het zijn afgoden die onder de islam verboden zijn.’
We wandelden bij de wereldberoemde meren van Band-e Amir (Reisdagboek#1, p. 165-177).

We maakten thee van de overal langs de halfverharde wegen groeiende munt.
Met sommige mede-Aziëgangers sloten we onderweg vriendschap waaronder – aan de grens Turkije/Iran – met Bert Weerman en Lutz (?), twee vrienden. Ze hadden geen Carnet de Passage voor India en daarom wilden ze graag hun VW-T2 bij de douane in Kabul ‘parkeren’ en vanaf daar met ons meereizen (benzinekosten delen) naar India. Bert en Lutz hadden de tent mee of ze sliepen in het hostel waar wij onze camper parkeerden, we kookten samen, we speelden hilarische potjes hartenjagen onder de invloed van spotgoedkope supergoede hasjiesj, we zongen liedjes bij de begeleiding van Lutz’ gitaar. We hadden het prima met elkaar.
Na ons schitterende verblijf bij de meren van Band-e Amir, reisden we over de Salangpas terug naar Kabul en daarna – met Bert en Lutz in onze Bus – over de Khyberpas naar Peshawar en daarna naar Lahore in Pakistan.
We doorkruisten Pakistan eigenlijk alleen van west naar oost, in een week, geen echt verblijf. Door toeval – waarover later – kregen we een herkansing.
Aan de andere kant van de grens bezochten we de schitterende stad Amritsar, de heilige plaats van de Sikhs.
Omdat we nog in het najaar gedurende een maand Nepal wilden bezoeken, haalden we in New Delhi visa voor dat land. En eind oktober 1978 zagen we door onze voorruit het Himalayagebergte liggen.
De hoofdstad Kathmandu en de plaatsjes Patan en Pashupatinath betekenden voor ons een nieuwe wereld. Bijzonder mooi en fascinerend. 
Begin november 1978 namen we in Kathmandu afscheid van Bert en Lutz. Wij wilden naar Pokhara, westelijker in Nepal, zij reisden naar Goa aan de midden-westkust van India. Voor ons stond Goa later op de reiswensenlijst.
We verbleven tot in de derde week van november in Pokhara, prachtstad en ommeland (Reisdagboek#2, p. 286-310). 
Daarna reden we terug naar India, via de steden Gorakpur en Gazipur naar Varanasi dat in de koloniale tijd Benares genoemd werd. We wandelden eindeloos door die prachtige stad, we beleefden de zonsopgang over de Ganges, de lijkverbrandingen, de rituele baden, de yoga-oefeningen. Indrukwekkend.
Vervolgens reden we terug naar New Dehli.
Contact met thuis
Bedenk bij het bekijken en het lezen van deze webpagina dat er in het tijdsgewricht van onze reis geen mobiele telefonie was, geen internet met WhatsApp of e-mail en dat we dus feitelijk onbereikbaar waren. We hadden van het thuisfront afscheid genomen in het besef dat we elkaar misschien niet meer zouden terugzien.
We gingen op pad, onbevangen, misschien eerder: prettig naïef.
De communicatie met familie en vrienden verliep enkel per brief. We meldden – per frequent geschreven aerogrammen – ruim van te voren welke grote steden we van plan waren om aan te doen en dan kon het thuisfront naar de Postmaster van het General Post Office (GPO) aldaar Poste Restante brieven schrijven.
Citaat Reisdagboek#2, p. 322: ‘In Dehli aangekomen gingen we als eerste naar het postkantoor, vol verlangen waarom we gelukkig niet werden teleurgesteld. Een brief van ma Gré, ma Cleij, Gerry, Saskia, Margriet, een Volkskrant en nog wat knipsels.
Met de dikke buit arriveerden we om vijf uur op het Tourist Camp in de Quadsia Garden.’
Dehli was een totaal chaotische stad, overvol, krankzinnig verkeer. Fascinerend.
We bezochten het wildpark Sariska alwaar we konden zien hoe een grote groep gieren in een mum van tijd een gestorven koe tot karkas kaalvraten.
We bekeken de stad Jaipur die vanwege het veelvuldig gebruikte roze marmer als bouwmateriaal heel terecht Pink City genoemd werd. Het observatorium van de maharadja van Jaipur is prachtig.
En we maakten er een aantal karakteristieke foto’s.

Logistiek
We schoten in totaal ruim 60 fotorolletjes vol, elk van 36 opnamen ergo ruim 2.000 foto’s. Ik stuurde periodiek de rolletjes naar Mathieu op, die ze liet ontwikkelen en er contactafdrukken van maakte. Die stuurde hij dan weer poste restante naar een of ander door ons opgegeven postkantoor in een grote stad of een Nederlandse ambassade waar we ze zouden kunnen ophalen.
Daarna bezochten we Jodhpur, Udaipur, Ahmedabad, Baroda, en Mumbai (Bombay).
In de laatste week van december 1978 arriveerden we in Goa. Daar verbleven we tot en met 8 januari 1979 op het hippie-strand van Benaulim. We ontmoetten er bekende mede-Aziëgangers. Mooi weerzien. Fijne tijd.
Daarna reisden we door naar Bangalore en van daaruit weer naar het noorden naar Hyderabad. In die stad werd op grootse wijze én voor een habbekrats een heftig mankement aan de koppeling/versnellingsbak van onze Bus verholpen, zie Reisdagboek#3, p. 426-436.
En we gaan nog niet naar huis…
In februari 1979 hadden we al besloten we om niet één jaar ‘weg te blijven’ maar langer. Vijf samenkomende aanleidingen:
(1) we vonden het onderweg-zijn fantastisch,
(2) we hadden vastgesteld dat het vrijwel niet mogelijk was om ons busje vanuit een of andere haven in Zuid-India naar Darwin (Noord-Australië) te verschepen. Dus moesten we iets anders bedenken om toch Dave&Rita Rowland en Gerald Torpy te bezoeken,
(3) we wilden dolgraag nog een keer terug naar Nepal omdat we het een fascinerend land vonden en om er een trekking te maken,
(4) we hadden gehoord dat in het Midden-Oosten, met name in Syrië en Jordanië voor zo’n VW-T2-camper als de onze ‘een fortuin’ werd neergeteld én
(5) we kregen de informatie dat in Athene relatief goedkope vliegtickets naar Thailand en Australië te koop waren.
Dus werd het plan: eerst terug naar Nepal, dan retour Turkije en van daaruit naar het Midden-Oosten om de Bus te verkopen en dan via Athene naar het Verre Oosten en Oceanië.
Op de route naar Nepal verbleven we gedurende tien dagen in het stadje Sewagram (Wardha) in de ashram die Mahatma Ghandi gesticht had; zijn ‘opvolger’ Vinoba Bhave fascineerde. Maar meer nog Kusum, een serene, buitengewoon plezierige ashrambewoner die zich voor ons interesseerde. En wij ons voor haar.
Na ons zeer plezierige en leerzame verblijf in de ashram zijn we via Varanasi en Gorakhpur weer naar Katmandu gereden. We namen een westelijker route naar Butwal.
Daarbij moesten we met de Bus op een vlot een rivier oversteken.

Op 25 februari 1979 bezochten we even buiten Katmandu Pashupatinath. Daar werd een groot Vishnu-feest gevierd. We maakten er prachtige foto’s (Album#12, p. 82-85).

Eind februari reden weer Pokhara binnen. Van daaruit liepen wij van 3 t/m 11 maart een groot gedeelte van de Jomosomtrek, een prachtige huttentocht in het Himalayagebergte, onvergetelijke natuur en cultuur.
We zagen er de zonsopgang op Poon Hill (op ruim 3.200m), ijskoud maar prachtig.
Daarna reden we opnieuw via Butwal terug naar India. We bezochten de stad Agra en we vergaapten we ons aan het wereldberoemde mausoleum Taj Mahal.
Daarna naar de stad Fatehpur Siri en het Nationaal Vogelreservaat Bharatpur. Overweldigend. We waren onderweg al vogelaars geworden maar hier is dat onontkoombaar.
Van daaruit weer naar New Dehli, want…
Toeristenvisum
Ontwikkelingen op het wereldtoneel kregen plotseling invloed op onze reis. Nadat de Sovjet-Unie in 1979 Afghanistan binnengevallen was, werd de grens tussen Pakistan en Afghanistan gesloten. We konden dus niet via dat land terug. We namen onze overzichtskaart Asia Overland erbij en zagen een route via centraal Pakistan en het zuiden van Iran – waar inmiddels het Khomeini-regime gevestigd was – over de Straat van Hormuz naar de Verenigde Arabische Emiraten. Het was voor het eerst dat we kennis namen van het bestaan van het betreffende land.
En zowaar, de Ambassade van de VAE in New Dehli kon ons een visum verschaffen, voor ons gevoel het allereerste dat voor dat land verstrekt werd.
In totaal chaotisch Dehli werden we uitgenodigd om een Indiase bruiloft mee te maken, zie Reisdagboek#3, p. 556-559.
Vanuit Dehli reden we naar Chandigarh via Simla door de rijke Punjab. We konden de bergen van India’s Kashmir al zien liggen. Toen een schitterende route via Daramsala naar de hoofdstad Srinagar.
Daarna: Jammu – Pahankot – Amritsar – Lahore (Pakistan).
We bezochten Lahore en namen daarna de weg naar het zuiden: Baipheru – Mian Chanun – Multan – Bahawalpur – Sukkur – Quetta. Daar, in midden-west Pakistan, zijn we bij een soort missiepost een paar dagen verbleven.
Vervolgens gingen we de heuvels en de woestijn in om de grens met Iran over te steken.
We reden door Baluchistan verder naar het zuiden, naar Bandar Abbas om de Straat van Hormuz over te steken naar Dubai in de Verenigde Arabische Emiraten.
Zen
Autopech is ons grotendeels bespaard gebleven. En we waren in het bezit van het ongeëvenaarde boekwerk: How to keep your Volkswagen alive. Subtitel: zie hieronder 🤪…
Op een gegeven moment – onderweg in Baluchistan – wilde onze Bus niet meer starten.
John Muir: ‘Blijf kalm, neem eerst gedurende een kwartier de lotushouding aan. Pak daarna een kleine hamer en kruip links-achter-onder de Bus. Je ziet tegen de startmotor aan een zwart buisje zitten. Geef met het hamertje een paar tikken op het buisje. Start.’
Eerste gedachte: ‘Da’s een grap.’ Maar verdomd, de auto startte probleemloos.
Het zwarte buisje bleek de solenoïde, noodzakelijk om de startmotor een stroomstoot te geven. De spoel erin zat soms een beetje vast en werd door de hamerklop gemobiliseerd.
In Abu Dhabi hebben we de versleten solenoïde laten vervangen.
We vonden in de haven van Bandar Abbas een ‘piraat’ die bereid was om ons voor $ 235,- over de Straat van Hormuz te vervoeren. Onze VW werd aan boord gehesen.
We verdwaalden op zee en veel later dan gepland werd onze camper op de kade van Dubai gehesen.
Heet, vochtig, benauwd. Maar… interessant.
We bekeken de stad, reden naar Ras al-Khaimah, Khor Fakkan en Fujairah aan de grens met Oman. Daarna op pad naar Abu Dhabi, de hoofdstad. Snikheet.
Aangekomen in Abu Dhabi bleek er geen enkele camping of iets dergelijks te zijn. We reden naar een buitenwijk en we vroegen bij een huis of we onze watercontainer mochten vullen.
Er bleek een Frans gezin te wonen. Jeanne-Pierre: olie-ingenieur voor Total; France: lerares op de internationale school. Twee kinderen, Laurent en Hélène.
Lang verhaal kort: we zijn er drie weken verbleven, slapen in ge-airconditionde slaapkamer, mee-eten, mee op de weekends: snorkelen, speervissen, waterskiën, windsurfen, BBQ.
Top. ‘Voor eeuwig’ vriendschap gesloten met France & Jean-Pierre en met hun vrienden Nicole & Zackar (dochtertje Heidi).
In Reisdagboek#4, p. 633-648 is het verhaal te lezen.
Na ons weergaloze verblijf in Abu Dhabi reisden we door Qatar en Saoedi-Arabië (via de Trans Arabian Pipeline – TAP) naar Jordanië.
Handelsgeest
In Abu Dhabi kochten we vijftig muziekcassettes met popmuziek. Prijs per stuk: omgerekend: 1 gulden. We verkochten ze allemaal in Jordanië voor… een tientje. Vierhonderdvijftig gulden winst.
In Jordanië bezochten de hoofdstad Amman en we plaatsten enkele keren een advertentie in The Jordan Times om onze VW-T2 ‘Westfalia 😜 ‘ te verkopen. Maar het A4-tje met TE KOOP dat we achter de achterruit hadden geplakt bleek een maand later effectief.
In de tussentijd genoten we van het enorm gastvrije Jordanië. We waren te gast bij een leuke Palestijnse familie.
Daarna bezochten we de archeologische site Jerash, reden naar de havenstad Aquaba aan de grens met Israël en we snorkelden er in de zee.
In Aquaba maakten we kennis met Pieter en Marjan die in Amman woonden. Ze nodigden ons uit om hen later bij hen thuis op te zoeken.
We zijn naar Wadi Rum gereden en we hebben van daaruit Petra uitvoerig bezichtigd. Een wereldwonder in de rotsen.
Daarna zijn we naar de Dode Zee gereden. Het zoutgehalte is dermate hoog, dat je probleemloos in rugligging de krant kunt lezen zonder dat die nat wordt.
Terug in de hoofdstad Amman sloten we vriendschap met Pieter en Marjan. We hadden samen met hen en andere Nederlanders twee keer een heerlijk verblijf in de wonderschone oase Wadi al Wala.
Pieter en Marjan hielpen ons in de dagen nadat we – conform de informatie die we daarover ontvangen hadden – onze hippie-VW voor veel geld (fl. 9.000,–) aan een legerofficier hadden kunnen verkopen met de ‘overstap’ van een ‘camperleven’ naar een ‘rugzakleven’.
Daarna zijn we – met volop reiszin – verder gereisd.
Eerst met een ‘jetbus’ naar Damascus in Syrië. Prachtstad.
En vervolgens liftend verder, via Homs naar de stad Hama met zijn enorme houten watermolens.
En daarna naar Aleppo met zijn grote ‘soek’ (markt).
Eigen schuld, dikke bult
Vanaf de soek in Istanbul moest Pia helaas het fenomeen ‘kontenknijper’ ervaren: mannen die in het langslopen even hun hand op haar bil legden en/of knepen. Het gebeurde subtiel, geniepig.
Lang verhaal kort: Pia kon er voldoende goed mee dealen, maar het was altijd onprettig.
Op de soek van Aleppo liep ze ietsje voor mij uit en er schoof een man tussen mij en haar in. In het langslopen kneep hij in Pia’s kont.
Pia haalde uit met de stoffen tas die ze in haar rechterhand droeg. De tas trof zijn rechterslaap. En… hij ging neer.
Pia was zich er niet van bewust dat we een uur eerder een blik bruine bonen gekocht hadden…
Er klonk applaus vanuit de soekwinkeltjes om ons heen.
Het ‘slachtoffer’ krabbelde vliegensvlug op en maakte dat hij wegkwam.
Onvergetelijk.

Van Aleppo gingen we liftend naar de havenstad Latakya. Daar kregen we een ‘zeelift’ van een kapitein met een (oorspronkelijk Nederlands) schip voor cementvervoer die ons wel voor ‘$ 20,- or a bottle of Johnny Walker whisky‘ naar de havenstad Larnaka op Cyprus wilde meenemen.
We verbleven zo’n drie weken op Cyprus, waarvan een week bij het gezin De Jong waarmee we in Wadi al Wala vriendschap hadden gesloten en dat ons toen al had uitgenodigd om in hun nieuwe vakantiehuis op Cyprus te komen logeren.
We vierden ‘vakantie’ in het plaatsje en op het strand van Paphos, we liftten via het Troödosgebergte naar Nicosia en namen vanuit Limassol de veerboot naar Rhodos en een paar dagen later naar Athene.
Nog meer zaken doen
Omdat we al wisten dat onze verdere reis ons via Singapore zou brengen en dat aldaar camera’s en toebehoren spotgoedkoop waren, wilde ik een advertentie plaatsen in het Engelstalige Athens News om zodoende mijn gehele foto-apparatuur (Olympus OM1, twee extra objectieven, flitser) te te kunnen verkopen.
De advertentieredactie leidde mij meteen naar de beeldredactie. Korte klap: zij wilden dolgraag mijn spullen voor de vraagprijs overnemen.
In Singapore kon ik daarvoor volop de nieuwste spullen aanschaffen.
De moeder van Pia vond het dermate niks dat wij al zo lang ‘buiten beeld’ waren en nog langer ‘buiten beeld’ wilden blijven dat ze ons wilde opzoeken tijdens ons verblijf in Griekenland. Ze bekokstoofde samen met mijn moeder een rendez-vous van twee weken in een luxe vakantiehuisje in het plaatsje Sounion in het uiterste zuiden van Attika. Ze hadden een auto gehuurd waarmee we de streek verkenden en voor een bezoek aan Athene.
Na het afscheid van de moeders hebben we het vliegtuig (Thai Airways) genomen naar Thailand. We zijn er drie weken gebleven. Bangkok is een prachtige stad met een grote hoeveelheid schitterende pagodes.

We reisden met een ‘streekbus’ naar het noorden, naar de stad Chiang Mai.
Weer terug in Bangkok vlogen we door naar Singapore. In die modelstadstaat verbleven we twee weken. Eigenlijk te lang voor wat er te zien en te doen was, maar wel prettig dat we ons rustig konden oriënteren op de aankoop van een nieuwe camera met toebehoren: Olympus OM2 met 21mm, 50mm en 135mm objectief, een bouncegrip, een T32-flitser en een winder (motordrive), alles perfect passend in een Olympuskoffer. En tenslotte een Olympus 110-200mm zoomlens in een aparte koker.

Vanuit Singapore vlogen we naar Australië waar we bijna vier maanden rondreisden en verbleven.
We kochten in Sydney een Holden stationcar en reisden ermee naar Rockhampton, de woonplaats van Dave en Rita in de provincie Queensland.
Ik mocht mee op een vijfdaagse fishing trip met David, Jan en Laurie. Geweldig. We vingen krabben, kreeften en grote (heerlijke…!) vissen: de Baramundi.
Ofschoon we een mooie tijd met Dave en Rita hadden, waren we – vanwege de drukte in hun jonge gezin – ook weer blij om verder te kunnen reizen. De overweldigende natuur van de Blue Mountains en de Black Down Table Lands trok.
Bij het stadje Roma verbleven we drie weken op boerderijen van de familie Mason: Knock Along, Teeswater en Balford. Onvergetelijke ervaringen, Reisdagboek#4, p. 872-897.
Eind december bereikten we Ballarat, de stad waar Gerry Thorpy woonde. We verbleven er drie weken, waarin we paardenraces meemaakten, Erskin Falls bezochten, natuurpark The Grampians en Hall’s Gap, een paardrijtocht maakten en Melbourne bekeken.
Daarna reden we over The Great Ocean Road van Melbourne via het nationaal park Tidbinbilla naar Canberra en door naar Sydney.
In Sydney bleek de receptionist van het hostel The Peoples Palace geïnteresseerd om onze Holden over te nemen voor A$ 400,-.
Daar is een mooi verhaal mee verbonden, zie 🧲 de Geluksmagneet 🍀.
In het plaatsje Manly in de buurt van onze camping in Narrabeen, haalden we vervolgens beiden de theorietoets en het praktijkexamen voor het motorrijbewijs. Een hilarische beleving, zie Gouden Grepen en Misgrepen.
Vervolgens vlogen we met Quantas naar Nieuw Zeeland en we verbleven er zes weken. Onvergetelijk.
We landden in Auckland, op het Noord-Eiland. Daar werden we afgehaald door Lesley, de (schoon)vader van Karen en John die we in India hadden leren kennen. We waren een paar dagen te gast bij hen, waarbij dierbare herinneringen werden opgehaald.
Daarna liftend verder.
We bezochten het Maori Museum en The God of the Forrest.

We maakten een korte trekking in het gebied van Mount Ruhapehu.
Daarna liftten we door naar Wellington en we maakten een excursie op de Franz Josef Glacier.
Vervolgens namen we de boot naar het subtropische Zuider-Eiland. Prachtig.

We voeren over Milford Sound.
We bezochten Queenstown.
En we liepen er de schitterende Rootburn track.

We vonden Nieuw-Zeeland zo geweldig dat we naderhand vaker gezegd hebben: ‘Vier maanden Australië en zes weken Nieuw-Zeeland? Dat hadden we beter omgekeerd gedaan.’
Nostalgie?
Nieuw-Zeeland sprak ons dermate aan, dat we overwogen om erheen te emigreren. We bezochten begin jaren tachtig in Den Haag zelfs een informatiebijeenkomst daarover op de ambassade van Nieuw-Zeeland. Jarenlang bewaarde ik een in Nieuw-Zeeland uitgeknipte krantenadvertentie in mijn portefeuille: ‘Te koop, landgoed met een eigen riviertje over het terrein, 65 acres groot. Met grote blokhut en twee schuren. Vraagprijs: $ 65.000,-.’
In Christchurch verbleven we bij de uiterst gastvrije Mike en Elisabeth. En begin april 1980 vlogen we terug naar Sydney, Australië en vervolgens via Singapore en Bangkok naar Athene.
Bij telefonisch contact aldaar kregen we een enigszins alarmerend bericht van Pia’s moeder: ‘Oma is slecht.’
Nogal halsoverkop boekten we een vlucht naar Amsterdam met Olympic Airways. Eigenlijk was het onze bedoeling om rustig liftend of met een internationale busreis, afkickend van de reis, naar Nederland te reizen.
Herrezen
Pia’s broers en schoonzussen verwelkomden ons op Schiphol en we werden naar Vught gereden. Pia belde aan. Oma zelf deed de voordeur open, vief en monter. ‘Mooi! Daar zijn jullie! Hoe was het?’

In de weken na thuiskomst moesten we wennen aan de totaal andere situatie. Niet altijd gemakkelijk. Maar… die magistrale reis nam ons nooit iemand meer af.
Hoe het verder ging staat beschreven in het tweede deel van de van de webpagina Amsterdam – IFLO/FBW







