Tilburg – Sportacademie


– laatste bewerking op deze pagina:
24 november 2025

Observatie
Naarmate je verder de zeventig passeert, heb je in verhouding minder om naar uit te kijken en steeds meer om op te reflecteren.
Je heb daar bovendien meer tijd voor.
© Ludo Grégoire, 2 mei 2025

Op deze websitepagina verhaal ik over de jaren 1971 t/m 1976.
Deels baseer ik me daarvoor op mijn herinneringen, gesteund door de vele foto’s in mijn episodische albumcollectie, deels op teksten die ik op verzoek van mijn zoon Simon maakte toen hij mij omstreeks het jaar 2010 voor zíjn verjaardag het boek: ‘Pa, vertel eens…’ gaf. Ik schreef naar aanleiding van de daarin opgenomen vragen over het verleden velerlei teksten om Simon op die wijze een ‘inkijkje in Ludo’ te verschaffen.
Deze pagina blijft in ontwikkeling doordat van verschillende kanten aanvullingen en correcties worden aangeleverd.
Ik herken mij voor mijn schrijverij in de woorden van Henri Matisse: ‘Een schilderij kan compleet zijn en toch onvoltooid.’ Hieronder de complete maar onvoltooide oogst!

KALO, Goirleseweg Tilburg. Betonreliëf met scherfmozaïek door Jan Dijker

Waarom ik koos voor de Sportacademie? Niet zozeer omdat ik gymnastiekleraar wilde worden. Ik wilde gewoon zoveel en zo gevarieerd mogelijk sporten. De Academie Lichamelijke Opvoeding maakte zoiets mogelijk en die van Tilburg was het dichtste bij Maastricht. Dus informeerde ik mij over de toelatingseisen. Voor wat betreft het theoretisch niveau zat ik al goed met gymnasium. En de praktijkeisen, op het gebied van atletiek, turnen, zwemmen en spel, waren absoluut haalbaar voor mij.
Met sympathieke hulp van gymleraar Folkerts – trainde ik in de 5e en de 6e van het Veldeke op zaterdagochtenden voor het toelatingsexamen. Toentertijd trok ik veel op met HBS’ers: Edmond van Schendel en Frans Jacobs en met de ‘meiden’ van Stella Maris (de MMS): Lieke Hos, Mirèse Bouwens, Lily Slangen, Noëlle Ballieux. Mooie herinneringen. Hard gewerkt. Allemaal toegelaten.
Én… vier jaar later: allemaal geslaagd. Maar daar gingen vier jaren vol geweldige ervaringen aan vooraf.

Eens en nooit weer
Een deel van de praktijkproeven voor het toelatingsexamen vond plaats in de grote gemeentelijke sporthal naast de Sportacademie. We moesten met een Nöckerbal een bovenhandse strekworp demonstreren. Het was de eerste keer dat ik een Nöckerbal zag en de enige keer dat ik ermee gegooid heb. Ver genoeg.
Na het ochtendprogramma hadden we een uur pauze. We konden lunchen in de kantine van de sporthal.

In de voorhal van de sporthal was een opstelling voor hoogspringen. Wij hadden in Maastricht de techniek geoefend in een springbak met zand, straddle (buikrol). Ik haalde er hooguit 1.45m-1.50m mee. In Tilburg landde je achter de lat op een stapel schuimmatten. Er waren tweedejaars aan het oefenen, de Fosbury flop. Eén van hen, Claude Lafontaine ook uit Maastricht, wilde ons die techniek wel ‘even’ leren. Edmond, Frans en ik hadden het in een mum van tijd onder de knie met verrassend goede resultaten. Bij de praktijkproef, afgenomen door Boet Mallens, sprong ik zowaar over 1.70m. Dat is me nadien nooit meer gelukt 🤪 .

Zomer van 1971, geslaagd voor het toelatingsexamen voor de Sportacademie en met het gymnasiumdiploma op zak. En dus verkaste ik van Maastricht naar Tilburg, om er aldaar te gaan studeren aan de KALO, de Katholieke Academie Lichamelijke Opvoeding.
Ik zal het nooit vergeten: een Rijksstudietoelage (tweederde beurs, eenderde renteloos voorschot) van ruim 6.000 gulden per jaar, samen met ma een studentenuitzet gekocht, verhuizen in een gehuurde Volkswagen Kever.
Mijn moeder op de bijrijdersstoel, supergezellig.
Zij, overduidelijk blij voor mij.
Ik, intens vervuld van grote verwachtingen. Alles wat voorafgegaan was achter mij laten, opnieuw beginnen. Tabula rasa.

Den Ouden Heertgang 4, Goirle (1971-1972)
Mijn moeder had eerder bij familie en kennissen rondgevraagd of iemand een kamer voor mij wist in Tilburg. Oom Léon, haar broer, was bevriend met de kunstschilder Herman van der Werf. En die op zijn beurt kende Joep Coehorst, directeur bij Interpolis in Tilburg. En… raak. Joep Coehorst had een huis in Goirle, Den Ouden Heertgang 4.
Dat huis stond leeg omdat hij – net gescheiden – bij zijn nieuwe relatie woonde.

Den Ouden Heertgang 4, Goirle (2025)

Mooie villa, grote mooie kamer met glaswand aan de tuinkant, tuin met piepklein zwembad (niet gebruikt 🤪).
Voor mij een geweldige startsituatie. Ik wilde leren, zoveel mogelijk negens en tienen halen, me volledig focussen op de studie. En dus was die woonsituatie voor mij ideaal. Afstand tot het studentenleven, comfortabel. Na ‘schooltijd’ fietste ik zeer gedisciplineerd direct naar Goirle, werkte mijn collegenotities uit, studeerde, kookte m’n potje en rustte uit van de lichamelijke inspanningen.
Op de websitepagina Gouden Grepen en Misgrepen verhaal ik van de gouden greep om het typediploma te gaan halen.

Spijt
Natuurlijk ging ik ook af en toe uit, naar Tilburg, om met medestudenten kroegen te bezoeken.
Op een donderdagavond fietste ik laat en enigszins beschonken terug van Tilburg naar Goirle. Op de ventweg waren sleuven voor telefoonkabels gegraven.
Om het verkeer te waarschuwen stonden er op de bergjes uitgegraven grond van die vierkante rode petroleumlampen.

In bedwelmde baldadigheid pakte ik zo’n petroleumlamp en hing die aan mijn bagagedrager.
De volgende dag werd ik wakker bij een hevige penetrante petroleumgeur. De lamp stond op een boekenplank boven mijn bed. Aan hoe die daar gekomen was, had ik geen herinnering.
Vrijdagochtend fietste ik terug naar de Academie. Ik had de petroleumlamp weer aan mijn bagagedrager gehangen.
De aan het werk zijnde telefoonkabelleggers keken perplex toen ik hen – enigszins beschaamd – mijn ‘zonde’ opbiechtte en de lamp teruggaf. Vervolgens barstten ze in schaterlachen uit…

In een van de eerste weken van de Sportacademie vond het ‘ontgroeningskamp’ in Middelbeers plaats. Kort en goed: waardeloos. ‘Volkomen uit de tijd.’ Op appèl staan, rare discipline. Ik ga er nu niets over schrijven.

Maar wel het begin van vriendschappen, allereerst met Mathieu Geelen, en daarna met Kees van Gemert, met Henk van Hak, met Ben van Esch, met André Göring. Later met Frans Jansen en Herman Hofschreuder die in het tweede jaar vanuit militaire dienst instroomden.
Vier jaar van machtige ontwikkeling, op alle terreinen van het mens-zijn. Vriendschappen-voor-het-leven sluiten, afscheid nemen van het geloof dat mij ‘opgedrongen’ was, seksualiteit onderzoeken. Sporten en pret, antimilitarisme, politiek, cultuur en pacifisme.
Samen met andere studenten en met steun van moderator Hans van Bussel richtten we in 1973 de Stichting Kontaktalo op. Ik was daarvan de voorzitter, Marjo van den Bosch secretaris en Rob Postma (uitstekende turner) penningmeester. Wij waren het Dagelijks Bestuur van het vehikel dat we nodig hadden om een eigen studentensociëteit voor de Sportacademie te kunnen realiseren. En dat lukte. Mathieu de Kroon van de familiebrouwerij De Kroon zag er wel brood in met ons voor het brouwerijcafé, de Jocobar, op de hoek van de St. Annastraat en de Capucijnenstraat.

Eerbetoon
Hier moet en wil ik een diepe buiging maken voor Marjo van den Bosch, de roodharige sprietige ALO-vriendin van Pia.
Zij speelde een onmisbare rol in de praktische kant van het realiseren van zo’n studentensociëteit. Ze organiseerde medestudenten om de boel op te knappen en in te richten, ze regelde de inkoop, de bardiensten en alles wat verder nodig was.
Onvermoeibaar, altijd vrolijk, vol van heerlijke streken.

Helaas is zij veel te vroeg overleden. Ik denk zo omstreeks 1996. Aan diezelfde kloteziekte die ook Pia vier jaar later fataal werd.
Ik denk vaak aan Marjo.
En ook aan Paul Botden, haar man, die er net als ik alleen voor kwam te staan met kleine kinderen.
Ook Paul zat vol streken die volop tot uiting kwamen bij onze jaarlijkse softbaltoernooien van ‘De Buns’ en bij de gezamenlijke wintersportweken. Ik zal nooit zijn magische truc met de rode en zwarte speelkaarten vergeten. Sterker nog: die behoort tot mijn kleinkinderenrepertoire. 

Naam? SooS. We hebben er onnoemelijk veel plezier gehad. En het was de kraamkamer van de liefde tussen Pia Cleij en mij.

SooS, 1976

Ook toen ik al naar Amsterdam vertrokken was, bleef ik voorzitter. In de periode medio 1978 – medio 1980 toen Pia en ik op ‘wereld’reis waren, werd het voorzitterschap waargenomen, ik meen door Tjeu Wolters. Pas in 1983 droeg ik het definitief aan hem over.
Kontaktalo werd ook benut voor de, schaarse, zogenoemde Intercorpora, dat wil zeggen de uitwisseling tussen de studentenverenigingen van de vijf ALO’s in het land. Ik herinner me een weekend in Arnhem bij de CALO en er is ook een uitwisseling georganiseerd met Groningen. Die Sportacademie had de geuzennaam ‘Pedalo’, dit omdat de vele accommodaties voor het rooster enkel per fiets op tijd te bereiken waren.

Voor het studiejaar 1973/1974 werd ik gekozen tot voorzitter van de Studentenraad. De KALO was een nogal conservatief instituut dat wel wat frisse wind kon gebruiken. Daar leerde ik dat er zelfs bij evidente ouderwetsigheden als het gescheiden onderwijs aan ‘heren’ en ‘dames’ hardnekkig verzet tegen modernisering is.

Conservatief
We richtten – overigens met steun van een beperkt aantal docenten – met een aantal activistische studenten, waaronder Pia, het ALO-tijdschrift ‘
Omturner’ op. Daarin verschenen – rijp en groen – artikelen over allerlei zaken die medestudenten beroerden. Vooral zaken die ánders moesten, tot en met milieuvriendelijk toiletpapier in plaats van de ‘roze rollen’ die op de ALO gebruikelijk waren.

Ik schreef een ‘vlammend betoog’ over de absurditeit dat we opgeleid werden voor het geven van gymnastiek in het basis- en voortgezet onderwijs, waar inmiddels de seksescheiding geheel verlaten was, terwijl de Academie zelf een vrijwel volledig sekse-gescheiden curriculum hanteerde. Ik meen dat we alleen bij de vakken Anatomie en Fysiologie hoorcollege hadden in gemengde klassen.
Volgens mij was de titel van mijn vertoog:
‘Hoogste tijd voor coïnstructie!’ Die term had ik bedacht omdat van coëducatie vanwege onze volwassenheid geen sprake meer kon zijn.

Beslissing van ‘hogerhand’? ‘Je hebt argumentatief volkomen gelijk, maar we gaan het niet doen.’
Het duurde nog tot 1987 voordat onderwijs in gemengde klassen doorgevoerd werd. Dat gebeurde onder de leiding van de progressievere Kees Dikker (pedagogie).

Voor de weekenden liften Mathieu en ik op de vrijdag naar huis. Hij naar Thorn en ik naar Maastricht. Maar de een ging ook met enige regelmaat met de ander mee. Ik naar Thorn, Tjeu naar Maastricht. Ik heb grote gastvrijheid ervaren van Tjeu’s ouders en het staat buiten kijf dat mijn moeder dol was op Mathieu.

Waarheen de wind me waait
In de zomervakantie van 1972 maakte ik – op basis van liftervaringen tussen Tilburg en Maastricht – mijn eerste grote liftreis. Ik liftte via de Bodensee, naar Zuid-Frankrijk en naar Sitges (SP). Ik schreef erover op de webpagina De meeste mensen deugen.
Op de terugweg bij het begin van de snelweg boven Barcelona stopte een vrachtwagenchauffeur.
Hij: ‘Waar wil je heen?’
Ik, half vragend: ‘Waar u moet zijn…?’
Hij: ‘München.’
Ik: ‘Da’s prima.’
En zo belandde ik na een lange nachtelijke rit op de Olympische Spelen.
Ik had er een geweldige week, op de camping, in de stad en op het
Olympiagelände.
Een paar dagen voor de aanslag die de Palestijnse terroristen Zwarte September pleegden, liftte ik naar huis.
Ik weet nog steeds niet of daar het bijwoord ‘jammergenoeg’ of ‘gelukkig’ bij wil gebruiken. 

Van Musschenbroekstraat 18, Tilburg (1972-1973)
In het voorjaar van 1972 was duidelijk geworden dat ik andere huisvesting moest zoeken. Joep Coehorst zou met zijn nieuwe relatie het huis Den Ouden Heertgang 4 weer zelf gaan bewonen.
Hoe het zo gegaan is, weet ik niet meer maar ik vond nog voor de zomervakantie een kamer bij Germaine en Jan van Dinther op de Van Musschenbroekstraat (18?) in Tilburg.
Germaine en Jan, beiden vijftigers, kinderen de deur uit, waren dol op mij. Ze behandelden mij een beetje als volwassen inwonend kind. Veel verwennerij met koffie, koekjes en ‘s avonds een drankje. Meestal vieux, daar lustte Jan wel pap van. Jan was langdurig werkeloos in die jaren, ze hadden mijn gezelschap ook nodig tegen de verveling.
We keken ‘s avonds, als ik klaar was met studeren, naar spelprogramma’s en naar de destijds nogal ‘ondeugende’ Fred Haché Show van de VPRO. Met de onderbroekenlol van Barend Servet en Gré Braadslee en de oh-la-la naaktballetten.
Jan, met rode oortjes op het puntje van zijn fauteuil, nippend aan zijn derde vieux-tje.
Ik herinner me ook hun leuke vrolijke dochter, Wies. Ze kwam regelmatig met haar man en hun twee zonen naar ‘opa en oma’. Ze liet me voelen dat ik er helemaal bij hoorde, daar.

Eigenlijk was dat tweede studiejaar wat wonen betreft een soort mutualisme: wederzijds profijt. Zij gaven mij een thuis, ik bood gezelligheid, inloop van vrienden, gesprekstof.
Als ik vrijdagochtend met mijn ‘wastas’ naar de Academie ging om na de laatste les naar Maastricht te liften, zei Germaine vaak: ‘Als je al zondagmiddag weer hier bent, maak ik erwtensoep/stamppot/vis voor het avondeten klaar,’ al naar gelang waarmee ze dacht mij te kunnen lokken. En ik liet me regelmatig verleiden.

In verband met mijn voorgenomen verblijf in de Verenigde Staten in de zomer van 1973 kocht ik mijn eerste fototoestel, een Olympus Trip 35. De fotografie is vanaf dat moment een grote hobby geworden en tot en met vandaag gebleven.
Op de Sportacademie maakte ik bij allerlei gebeurtenissen – vooral tijdens de huttentochten en klimkampen – grote hoeveelheden foto’s die door studiegenoten bijbesteld konden worden. Ik reed dan, met een geleende auto, naar de Alkauf in Rees (D), net over de grens bij Arnhem omdat daar een kleurenafdruk slechts 25 cent kostte, in Nederland was dat het dubbele. En dan verkocht ik ze door voor 40 cent per stuk. Zo bekostigde ik de benzine en een deel van mijn eigen foto’s.

Munitiekistje
Studiegenoot Marijke Zwitser leende mij haar witte Eend voor een middagrit naar Rees. Bij passage van de Duits-Nederlandse grens wilde de Marechaussee de kofferbak inspecteren. Ik doe die open en we zien een groen, houten kistje.
‘Dat is een m
unitiekistje,’ zei de betreffende Marechaussee. ‘Wat zit erin?’ Ik: ‘Geen idee, ik heb de auto geleend.’ Hij: ‘Van wie, wanneer en waarom?’ Ik: ‘Van mijn studiegenoot Marijke Zwitser, om vandaag foto’s op te halen in Rees.’ Gelukkig bleek het munitiekistje enkel wat gereedschap te bevatten maar ik moest toch mee naar het grenskantoortje.
‘Papieren graag.’ Ik overhandigde hem die. ‘Wat is het telefoonnummer van uw studiegenoot?’ Dat wist ik niet…
Vervolgens werd gebeld met de Rijksdienst voor het Wegverkeer. De Eend bleek op naam van Marijke’s vader te staan. Daarmee werd telefonisch contact opgenomen. ‘Er staat hier een jongeman, Ludo Grégoire, die zegt de auto van uw dochter geleend te hebben. Is u dat bekend?’ Vader Zwitser: ‘Niets van bekend, Ludo Grégoire: nooit van gehoord. Laat de auto staan, ik kom hem meteen ophalen.’
Dat was ook de 
Marechaussee iets te voortvarend. ‘Kunt u eerst even met uw dochter telefoneren om het verhaal te checken? Dan wachten we hier uw terugkoppeling af.’
Alles kwam binnen een half uur gelukkig op zijn pootjes terecht.

Jan en Germaine lieten blijken het heel jammer te vinden toen ik tegen de zomer van 1973 liet weten dat ik wilde ingaan op de uitnodiging van Mathieu om te gaan samenwonen op de Bredaseweg 258, met zijn vriendin Wilma Weeterings (vierdejaars) en met onze jaargenoot Jeanne Klijn. In wat later ‘In den IJzeren Vrijer’ zou worden. Maar er was geen enkel verwijt. Ze gunden mij die nieuwe stap.
Zolang we in Tilburg woonden nodigden we elkaar uit op verjaardagen.

Begin jaren negentig is Germaine – Jan was al enige tijd dood – met haar nieuwe vriend bij ons op de Stratenmakerhof te gast geweest.

Verenigde Staten
In de zomervakantie van 1973 was ik in het kader van Camp America, een soort werkstudentenprogramma, drie maanden in de VS. Eerst twee maanden ‘werken’ in een vakantiekamp (Oxford-Guildford) voor rijke joodse kinderen uit de staat New York en toen nog een maand vrij om te doen wat je wilde.

In het jongenskamp Camp Oxford was ik Specialty Counsellor Waterfront. Dat hield in dat ik zwemles, zeilers en (later) waterskiles gaf aan jongens tussen de 12 en 15. Heerlijk om te doen. Veel vrijheid, veel plezier, veel waardering, veel vriendschap, veel anekdotes.

Geconcentreerd
Richie Robbins was de
Waterfrontcounsellor voor waterskiën. Ik leerde het zodanig goed van hem dat ik ook kwalificeerde om waterskiles te geven.

Maar ik had ook een uitstekende persoonlijke klik met hem.
Ik herinner me als de dag van gisteren dat we een weddenschap afsloten over wie van ons het eerst een van de ongeveer zestig centimeter hoge blauwe distels aan de waterkant dood kon pissen.
Mijn distel had al na een dag of vier ademnood en na precies een week was hij hartstikke dood. Die van hem, op een meter afstand, was weliswaar gehavend maar lag allesbehalve op apegapen.
Mijn ‘recept’? De relatief geconcentreerde ochtendurine zorgvuldig over alle groene delen en de bloemen sproeien, vervolgens de hele dag veel drinken en dan gedurende de heetste uren van de dag meermaals de distel van onder tot boven besproeien en ook de plaats waar de distelstengel in de grond verdween. In de brandende zon had de ammoniak op alle bladeren en bloemen zijn desastreuze uitwerking.
Uiteraard zorgde ik ervoor dat Richie geen zicht kreeg op mijn tactiek. Volgens mij hadden we om biertjes ‘s avonds bij het kampvuur gewed. De smaak van winnen…

Schaamrood
Wij, dat wil zeggen Dave en Rita (Australië), Brian en Jill (Groot-Brittannië) en ik uit Camp Oxford-Guildford en Jeanne Klijn en Pieter Bak uit een naburig Camp, wilden na de acht weken kamp met elkaar de resterende vier weken door Amerika reizen. We kochten een 8-seater Dodge voor $ 650,-. Dave en Rita (stel) zouden in een tentje slapen, Brian, Jill en Pieter in de stationcar. Voor Jeanne en mij hadden we een tentdoek nodig van zo’n drie bij vier meter om vanaf de imperiaal een schuine tent te realiseren.
Onze steun en toeverlaat Charly (zie de webpagina 🧲 de Geluksmagneet 🍀) had voor ons wel twee overcomplete fokzeilen voor op de kopse kanten maar kon ons helaas niet voorzien van het benodigde hoofdzeil.
David: ‘We snijden gewoon een lap uit de grote teepee. Die ligt al dagen op de grond in het bos. Ze gaan hier met alle spullen zo nonchalant om, ze zullen de teepee niet eens missen. En we krijgen maar een habbekrats voor ons werk.’

Ik had wel moeite met zo’n vandalisme-actie en vooral met de motivering erachter. Maar iedereen ging erin mee en ik ook… Niet best.
Evengoed hielden Jeanne en ik er wel een uitstekende slaapplaats naast de Dodge aan over.

We maakten een geweldige reis met zijn zevenen. Onvergetelijk. Aan het einde daarvan konden we de Dodge in Washington voor iets minder dan de prijs als waar we hem voor gekocht hadden, weer doorverkopen.

Vanaf het tweede jaar ging ik dus geleidelijk aan in de weekenden en de vakanties steeds minder naar Maastricht; verre horizonten wenkten: liften door heel Europa en 3 maanden naar Amerika, activiteiten met vrienden en vriendinnen vanuit Tilburg.

Ik weet zeker dat mijn moeder dat mindere contact met mij miste. Ze schreef mij een eind 1973 een briefkaart: ‘Als je in de Kerstvakantie thuiskomt, mag je gerust iemand meenemen.’
Maar ze heeft nooit druk uitgeoefend om andere keuzes te maken. Sterker nog, in mijn tweede jaar Sportacademie schoof ze mij ook nog de 1x kinderbijslag toe, die zij voor mij ontving vanwege de weekend- en waskosten van een uitwonende student. Dat ging bij heel wat collegastudenten niet zo.

‘In den IJzeren Vrijer’ (1973-1975)
Een geweldige tijd van samen wonen, samen studeren, samen lachen, samen koken, samen schoonmaken, samen naar de buurtkroeg, samen de was doen, samen spelletjes doen, samen het huis opknappen, samen… alles.
Mathieu en Wilma hadden een ‘bedstee’ beneden,  Jeanne (later Kiekie Boelaars) en ik hadden elk een eigen kamer boven.
Het was een wonderbaar goed werkende formule.

Wij-gevoel
De formule werd ook met parafernalia gecultiveerd. Uitgangspunt was het patroon in de houten kamertafel. We lakten de randen en het centrale kruis oranje, de overblijvende vier ‘placemats’ bruin. De typische modekleuren van die tijd. Ma maakte voor ons een vlag met dat patroon en in die kleuren en ook de omslag van ons Huisboek, waarin elke bezoeker geacht werd te schrijven, kreeg dat aanzien.
Mathieu’s vader, smid van métier, maakte een uithangbord en Wilma’s vader, zondagsschilder, bracht aan beide kanten met sierlijke, enigszins gothische letters de naam ‘In den IJzeren Vrijer’ erop aan.
Toen Mathieu en Wilma Tilburg verlieten, verhuisde het uithangbord uiteraard mee naar Wessem waar het nog immer de oprit tot het huis siert.
Ook het Huisboek kreeg er zijn plek.

Steenweg 10a, Wessem

Naast ons huis op de Bredaseweg was een groentewinkel. De uitbater was tevens onze huisbaas, geen makkelijke man. Achter tegen de muur van onze binnenplaats stond de compressor voor de koeling van de groenten. We hebben dat apparaat, dat periodiek aansloeg en dan een rotherrie maakte vele malen vervloekt. Onze repeterende vraag aan de huisbaas om dat kloteding te voorzien van geluidsisolatie werd stelselmatig genegeerd.

De meeste mensen deugen
In de zomervakantie van 1974 vertrok ik – snipverliefd op Pia – liftend door Scandinavië: Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen. Het was een geweldige ervaring. Ik schrijf over een aantal aspecten ervan op de webpagina 🧲 de Geluksmagneet 🍀.

Toen ik terugkwam van die liftreis was het ‘uit’ tussen Pia en haar Nijmeegse vriend. Vanaf dat moment kon het voor Pia ‘aan gaan’ met mij. En zo gebeurde het geleidelijk aan ook.
Ik ben Mathieu en Wilma nog dankbaar voor het feit dat ze me er nooit op aangesproken hebben dat ik in feite steeds meer ‘ontrouw’ was aan de andere bewoners van ‘Den IJzeren’ door eerst veel tijd door te brengen op de Capucijnenstraat, waar Pia aanvankelijk woonde en later op Lieve Vrouwenplein 8 – boven de Chinees I-Pin-Ke, altijd doordringende knoflookgeur – waar Pia in haar tweede examenjaar ging samenwonen met Mieke Raeijmaekers, Theo Mulder en Mathilde Baack. En met mij natuurlijk, want ik was daar vaker te vinden dan op mijn studentenkamer in het Amsterdamse.

Lieve Vrouweplein 8, Tilburg

In de zomervakantie van 1975 gingen Pia – die besloten had een jaar later haar ALO-examen te doen – en ik met het verse ALO-diploma op zak liftend naar Griekenland. Pia’s stiefvader vond het helemaal niks, dat liften. Maar haar moeder, die Pia ontiegelijk verwende en haar ziekelijk op handen droeg, zei: ‘Als Ludo erbij is, heb ik er vertrouwen in.’ Waarvan akte 🤪.

Gastvrijheid
Onderweg naar Athene strandden we op een avond in het dorpje Diavata in de buurt van Thessaloniki. Het werd al wat schemerig en we gingen wat drinken in een soort buurtcafé. Buitengewoon gezellig door het geroezemoes van de localo’s, de barbecuegeuren en de radiomuziek. De ‘moeke’ van het etablissement ontfermde zich over ons. We kregen heerlijke shashliks en een salade van tomaten en komkommer. Ze vroeg ons in gebarentaal waar we gingen slapen. Wij gebaarden terug: ‘Geen idee.’ Later op de avond wenkte ze ons om mee te komen. Boven het café waren enkele onbewoonde/onbewoonbare kamers zonder glas in de kozijnen. Daar konden we onze matjes en slaapzakken leggen. Moeke vertrok. Bij het schijnsel van de zaklantaarn ontwaarden we in de hoek van de kamer een immense broedende kip, nee… twee! Die werden onrustig van ons en eentje hief zich klagerig tokkend van haar nest. Wel twintig eieren. Wij deden de lamp uit en gingen even later, samen met de gekalmeerde kippen, op stok.
‘s Ochtends werden we om zes uur gewekt door het geraas van de Intercity Thessaloniki-Athene door de achtertuin. Maar… ook gratis ontbijt en hartelijk afscheid van ‘moeke’. Onvergetelijk.

Van Athene liftten we naar Patras, daar namen we de veerboot naar Corfu en later naar Brindisi in Italië. Een topreis, goed voor de liefde, de verbinding en – vooral voor Pia – om vertrouwen te krijgen in het verder ontwikkelen van een reisstijl die ons jarenlang veel profijt opleverde, vooral bij onze ‘wereld’reis van medio 1978 tot medio 1980.

In juni 1976 slaagde ook Pia voor haar ALO-examen en vertrokken we naar Amsterdam om er een leven samen te gaan opbouwen.

Psychologie van de fooi
Aan het einde van het studiejaar 75/76 vonden we een bijbaan bij De Efteling. Pia werd geacht op het terras van het Eftelingrestaurant met een dienblad met gebakjes rond te lopen om gasten tot een gebakje te verleiden. Ze vond het helemaal niets. Gelukkig mocht ze ook af en toe bedienen in het restaurant zelf.
Ik had een topbaan als kelner voor de twee terrassen in de grote tent van het stoomcarousel. Erg leuk om te doen en vooral heel goed verdienend, met name door de fooien. Want ik had al vlug in de gaten hoe het werkte. Als iemand bijvoorbeeld fl. 8,50 moest afrekenen en diegene betaalde met een briefje van vijfentwintig, was het slimmer om bij het wisselgeld eerst de briefjes van vijf en tien te geven. Tien tegen een dat je het muntgeld à eenvijftig mocht houden. Andersom? Zelden fooi.

dagen – Trimesters – jaren

Mathieu en ik verzuimden vrijwel geen college’s of praktijklessen. We wilden zoveel mogelijk uit de studie halen.
De KALO hanteerde een vrij vol dag- en weekrooster met een mix van theorievakken en praktijklessen.
Het dagritme werd uiteraard gedicteerd door het lesrooster. Elke dag vrolijke kleedkamer- en douchescènes in verband met de praktijklessen, als daar voor tijd was na het laatste praktijkuur en anders aan het einde van de dag.
Ik herinner me een behoorlijke periode in het derde en het vierde jaar dat we een paar keer per week aan het einde van de dag ‘voor de lol’ met een clubje nog een paar rondjes ‘rond de velden’ gingen hardlopen. We hielden er ook nog een berenconditie aan over.
Later, in Alkmaar, ontwikkelde ik op basis van die ‘lol-in-lopen’ een passie voor lange afstand hardlopen: halve en hele marathons.

Een toptijd
Van mijn aanvankelijke voorstelling van de Sportacademie als zijnde een plaats waar ik vooral veel en heel gevarieerd zou kunnen sporten, kwam alles uit.
Turnen en ritmische gymnastiek, atletiek (hardlopen, hordelopen, estafette, speer- en discuswerpen, kogelstoten, hoogspringen, verspringen, hink-stap-sprong en polsstokhoogspringen), zwemmen, waterpolo en plankspringen, zaalbalsporten (basketbal, handbal, korfbal), buitenbalsporten (voetbal, kastie, softbal, hockey), zelfverdedigingssporten (boksen, schermen, judo), tennis.
Voor mij was het een eldorado.

Aan het einde van de lesdag verdeelden Tjeu en ik het ‘werk’: de een gaf de ander zijn collegenotities naar ‘affiniteit’ en we maakten, tikkend op onze typemachines, collegedictaten met een carbondoorslag voor de ander. Voor ons werkte het perfect.
We hebben zelf geen ruchtbaarheid aan het bestaan van deze dictaten gegeven maar ze hadden dergelijk goede uitkomsten dat er al vlug belangstelling van ‘derden’ ontstond voor een kopie daarvan. Tjeu en ik waren daar niet enthousiast over want ‘premie op luiheid’ maar we hebben er ook nooit moeilijk over gedaan, zeker als het ging om een medestudent voor wie de resultaten voor de theorievakken allemaal wat minder vanzelfsprekend kwamen.
Wel herinner ik me een situatie waarbij Kees, Mathieu en ik een zeer doorwrochte scriptie ‘Rollen’ voor het vak methodiek gymnastiek (Leo van der Weegen) gemaakt hadden en dat vlak voor het verstrijken van de deadline twee medestudenten, die nog niets gedaan hadden, ons vroegen om te mogen aansluiten. Wij slikten onze principes weg, zij voegden een minimaal theoretisch hoofdstuk toe. Iedereen een 9,5.

’s Avonds speelden we kaart in Den IJzeren Vrijer, we sjoelden (competitie) of we gingen naar de buurtkroeg, later de SooS. Eigenlijk gingen we – met uitzondering van de SooS-donderdagavond – nooit laat naar bed want we wilden de volgende dag voldoende fit zijn.
We kookten om beurten voor ons vieren. Geen rooster, er was altijd wel iemand die zin had om te kokkerellen. Vooral Wilma was toen al volop bezig om haar talent en voorliefde voor de keuken te ontwikkelen. Mathieu en ik vonden dat uiteraard prima.

Alter ego
Eén keer per jaar werd er in de sporthal gedurende een week de HoReCaVa gehouden, de vakbeurs voor horeca-ondernemers. Voor ons studenten was de sporthal dan
off limits. Maar we hoorden van ouderejaars dat je gewoon een kostuum moest aantrekken en je met een of ander fake verhaal als horeca-ondernemer moest presenteren. Zo gezegd, zo gedaan. Heerlijke biertjes gedronken, satéetjes gegeten, friet, kaashapjes en vlammetjes. Gratis uiteraard. Het lukte jaar op jaar.

Aan het einde van een trimester waren er toetsweken en praktijktentamens. We studeerden en we gingen ‘s avonds naar de oefenuren op de academie. Niet alleen voor onszelf, maar ook – soms vooral – om minder getalenteerde klasgenoten te helpen de vaardigheden onder de knie te krijgen. Een tijd van enorme solidariteit en kameraadschap.
Mathieu en ik zeggen het nog regelmatig tegen elkaar: ‘Zonder hulp en aanmoediging had die of die het nooit gehaald.’
We haalden zonder enig probleem steeds prima resultaten voor onze toetsen en dus regen we de trimesters aan elkaar.

De Sportacademie hanteerde een systeem van keuzekampen (duur één week) aan het begin van het tweede tot en met het vierde jaar: paardrijkamp, zeilkamp, huttentocht. In ons vierde jaar kwam daar nog de keuze voor rotsklimmen (Kletterkamp) bij. Aan het begin van het tweede jaar schreven Tjeu en ik in voor de huttentocht in het gebied van Garmisch-Partenkirchen. Groot succes.
In het derde jaar had ik weliswaar een voorkeur voor het Kletterkamp maar omdat ik in Amerika zat ten tijde van de inschrijving en Mathieu liever weer samen op huttentocht ging, schreef hij ook mij daarvoor in 🤪. Prima natuurlijk.
In het vierde jaar ging ik onder leiding van het Consulaat Eindhoven van de NBV (Guus … en Sake Kingma) alsnog naar Blens in de Duitse Eifel naar de Nederlandse uitgangsbasis, de TukHut. Ik ontwikkelde mijn klettervaardigheden razendsnel, ging ook in weekenden in de Ardennen (Sy) klimmen onder leiding van Ferda en Lenka Cervenka en was voor het ALO-kamp van 1975 – waar Pia aan ging deelnemen – inmiddels dusdanig gekwalificeerd dat ik als instructeur mee mocht. Helaas… daar stak de oerconservatieve rector Willem van der Bijl een stokje voor: ‘Geen koppeltjes samen op kamp.’ Treurig.

In de krokusvakanties van 1973 en 1974 organiseerde onze ‘Tsjech’ Ferda Cervenka een skikamp van twee weken. In Veysonnaz (Wallis, CH). Spaarzaam als ik was, kon ik mij zo’n activiteit financieel permitteren en we hadden er een geweldige tijd.
Ook hier ontwikkelde ik zodanige competenties dat ik er later skiles mee kon geven aan Pia, haar stiefbroer Bert en zijn vrouw Ans, aan mijn nicht Rolande en mijn eigen zonen, aan Sophie en Sarah, dochters van Kees en Agnes van Straaten. Heerlijk om te doen.

Dierbaar
Mathieu was jarenlang de grote motor achter de skiweken voor leerlingen van scholengemeenschap Schöndeln in Roermond. Hij nodigde mij uit om zijn allerlaatste skikamp in 2012, Hogfügen (Tirol), mee te maken. Als vriend maar ook een beetje als snowboardleraar.
Fantastisch gebaar. Heel veel pret. Dank…

Pas in het derde jaar van de Sportacademie gingen we een ochtend per week ‘hospiteren’, dat wil zeggen: onder leiding van de eigen gymleraar lesgeven op het basisonderwijs en (het andere jaar) in het voortgezet onderwijs. Stagelopen dus.
Mathieu en mij, die altijd samen hospiteerden omdat we opvolgende studentnummers hadden 🤪, ging dat prima af, maar er waren medestudenten (bijvoorbeeld Ger Gärtner en Rob Dautzenberg) die er toen pas achterkwamen dat ze volledig ongeschikt waren voor dat vak. In en in triest. En een onmiskenbaar bewijs dat een van de allerbelangrijkste taken van de Sportacademie niet in orde was: dit soort drama’s, waarbij drie jaar verloren waren, te voorkómen.

Van het tweede t/m het vierde jaar op de Sportacademie gaf ik – als bijverdienste – een keer per week ’s avonds les in ritmische gymnastiek aan de turnvereniging van het dorp Gilze bij Tilburg.
En in het vierde jaar gaf ik EHBO-instructie aan teamtrainers van sportclubs in en om Tilburg.
Ervaring opdoen en bijverdienen.

Op de sportacademie liet ik mijn hoofdhaar en mijn gezichtsbeharing ongebreideld groeien. Daar zijn vele foto’s van. Ik gaf niets om kleren. Nog steeds niet trouwens.

Smikkelen
Als we iets te vieren hadden, verjaardagen of over naar het volgende jaar, gingen we graag uit eten bij Bistro de Paris.
Daar zwaaide Guido de scepter. Heerlijk en betaalbaar smikkelen.
Favoriet desert: coupe Saint-Tropez.
Heerlijk die combinatie van vanille-ijs, chocoladesaus en advocaat.
Uit die tijd stamt ook mijn nogal uitzonderlijke voorkeur om stukjes stokbrood in de wijn – toen rosé, nu witte – te ‘soppen’: lekker, vooral de korstjes.

Dromen had ik niet. Maar plannen te over. En heel veel van die plannen ook uitgevoerd. Maatschappelijk activisme, dienstweigering, op ‘wereld’reis, gaan studeren en nóg meer gaan studeren.

Kapriolen
Op een van de zomerzaterdagavonden waarop we ergens in het centrum gegeten en vooral gedronken hadden, fietsten Mathieu en ik naar huis, zigzaggend over de Heuvel en vervolgens over het Piusplein.
Tjeu ging met veel bravoure over de groenstroken maar had de aldaar gespannen ijzerdraad niet gezien: Salto Mortale.
Tjeu totaal beteuterd op de grond.

Mijn ‘helden’ destijds waren Mahatma Gandhi, Martin Luther King, Willy Brand, Joop den Uyl en Nelson Mandela.

In het tweede jaar hebben we met een aantal medestudenten het Dispuut (perpetuum) Mobilé opgericht. Leden: Henk van Hak, Lucie Saleminck, Marcel Gerards, Léon Gerards (geen familie, wel uit Maastricht), Jo Puts, Els Zaat, Huub Fransen, Ingrid Vonhögen en haar onafscheidelijke vriendin Anita Jansen. We spraken bij elkaar af om te eten, te drinken, te ouwehoeren, te lachen, te discussiëren. We organiseerden ook een lang weekend Schiermonnikoog met het Dispuut. In een kampeerboerderij. Erg leuk allemaal. Of het Dispuut na onze diplomering voortgezet is, weet ik niet.

Sterke blaas
Er werd uiteraard het een en ander gedronken op zo’n dispuutsavond. Op een gegeven moment was er de weddenschap wie het langst haar/zijn blaas onder controle wist te houden. Successievelijk viel de een na de ander af met hoge nood. Léon bracht anderen tot wanhoop door de waterkraan hoorbaar aan te zetten. Dat klaterende geluid bleek een enorme akoestische ‘trigger’ voor de blaas te zijn.
Ik pas hem – soms – toe vanwege de ouderdomskwaal van moeilijk plassen 🤪. 

In het derde jaar van de Sportacademie ontwikkelde zich de liefdesrelatie met medestudent Pia Cleij; voor mij een tot dan toe onbereikbare ‘godin’. We hebben 25 jaar met elkaar mogen delen; veel lief maar uiteraard ook leed.

Nog meer kapriolen
Een andere avond reed ik op de Bredaseweg met behoorlijke snelheid de stoepverlaging links van ons huis op. Ik vergat zowel te remmen als rechtsaf te sturen. En dus ‘parkeerde’ het voorwiel van mijn fiets tussen twee verticale spijlen van het HERAS-hekwerk rond de Kromhoutkazerne. Muur- en muurvast.
De volgende dag zat er niets anders op dan het voorwiel te vervangen.

docenten

Net als het geval was op het Veldeke waren er –  hoe kan het ook anders – goede, uitstekende en zelfs uitmuntende ALO-docenten. En waren mindere, slechte en abominabele docenten, mensen op wie de titel ‘leraar’ sloeg als een tang op een varken.
Ik ga dat hier enkel summier belichten.

Als docenten voor wie ik ook nu nog veel waardering heb wil ik noemen: Cees Slaats (judo), Leo van der Weegen (methodiek gymnastiek, boksen) en Martin Bonekamp (turnen).

Met stip wil ik hier danken de docenten Botman, De Kort en Bert Visser (anatomie), Frans(je) Verstappen en Han Kemper (fysiologie), Appie Hijmering (hygiëne), voor de inspiratie die ervoor zorgde dat ik bewegingswetenschappen (vakgroep functionele anatomie) wilde studeren.

Kleinzielig
Appie Hijmering stimuleerde mij in het voorjaar van 1975 om te solliciteren naar de vacant komende functie van docent Hygiëne op de ALO. Omdat hijzelf ermee ging stoppen. Hij wist dat ik in het vierde jaar met veel enthousiasme en succes een cursus EHBO aan clubtrainers gegeven had en hij had van Bert Visser gehoord over mijn kwalificaties voor Anatomie en Fysiologie. Ik solliciteerde. Rector Willem van der Bijl: ‘Nee, die niet.’ Geen uitleg.
Hijmering: ‘Hij is niet gecharmeerd van activistische docenten.’
In dat zwaktebod van de oerconservatieve Van der Bijl zag ik een compliment.
Grappig om te melden: in het jaar 2000 werd ik Commissaris bij de Huisartsen Organisatie Noord-Kennemerland (HONK). Daar ontmoette ik de zoon van Appie: Ronald Hijmering. We haalden herinneringen aan zijn vader op. Leuk! Van Ronald hoorde ik dat Appie officieel Albert heette. Maar zoals elke Amsterdamse Albert werd dat Appie 😊.

Goede docenten waren Kees Dikker en Frans Korting (pedagogiek), Hans van Bussel (filosofie; Merleau Ponty: la phenomenology de la perception), Theo Mulder (zwemmen).
Wie ik hier ook graag vermeld, is de bijzonder sympathieke Claire Bartels. Zij beleidde op de piano de lessen ritmische gymnastiek.

Bert Visser en Appie Hijmering waren behalve docent ook academie-artsen. Ze hielden spreekuur met name voor de (vele) sportblessures. Louise Druijts was hun doktersassistente en – ofschoon ik nooit blessures had – kon ik vriendschap-voor-het-leven met haar sluiten. En ook Tjeu had een klik met haar.

Onvoldoendes en zelfs dikke onvoldoendes deel ik uit aan Harrie Büchner (doel en plaats) die erop kickte dat studenten audio-opnamen van zijn pretentieuze prietpraat maakten, aan Wim van Heumen (tennis, hockey) die werkelijk al zijn docententijd besteedde aan studenten die al uitstekend konden tennissen (Cas ten Have) of hockeyen (Wil Dielis), aan Jan Schets (didactiek) die ronduit cynische trekken vertoonde jegens studenten voor wie het allemaal niet vanzelf ging. Op het sadistische af. Ad van Rooij (methodiek spel) ging er zelfs prat op dat hij ‘de meiden aan het huilen kon maken’. En Kebeth van Dorst (anatomie) in het examenjaar was helemaal niks.

Een mager zesje is voor Leo Audenaerde (ritmische gymnastiek). Hij rookte tijdens de praktijkles als een ketter en propte de peuken in de open voegen (akoestiek) van de bakstenen muren van de grote gymzaal.
Bijzonder aardig overigens was Clair Bartels die ten behoeve van de ritmische gymnastiek piano speelde.
En dan deel ik een zeven uit aan docenten als ‘Boetje’ Mallens (atletiek), Nikkie Kommeren en Jan de Laat (spel), Jan Bovend’eerdt (doel en plaats), Henk Dings (psychologie) en Konsten (bouw en inrichting). Het nut van dat laatste vak is mij voor 90% onduidelijk gebleven; een expertgroep vanuit de KVLO zou in voorkomende gevallen van bouw en/of inrichting van gymnastieklokalen veel effectiever en efficiënter hebben kunnen opereren.

Als gevolg van het feit dat in het derde jaar het wel of niet kunnen lesgeven als scherprechter werkte, vielen relatief veel studenten aan het einde van dat jaar af. En dus werd het aantal damesklassen van vier naar drie teruggebracht; bij de heren van vijf naar vier.
Omdat van onze b-klas vrijwel niemand was afgevallen en omdat er grote kameraadschap met wederzijdse hulp in onze klas bestond, dienden we een verzoek in om ons als klas niet in tweeën te knippen maar ‘bij elkaar te houden’; onze mentor Martin Bonenkamp steunde dat verzoek.
We gaven bovendien een praktische oplossing: voeg de overgebleven studenten van de a-klas, waar veel afvallers genoteerd waren, bij de d-klas, dan zijn er relatief weinig verschuivingen. Het verzoek werd behandeld door de conrectoren
Jacques Neutkens en Wim Dröge. Uitkomst: ‘Gaan we niet doen.’ Argument? Geen.
In het vierde jaar zaten Ben, Mathieu en Kees dus in de a-klas, de anderen van ons ‘clubje’ in de b-klas.

Wat hier niet onvermeld mag blijven is dat mij in de loop der jaren een aantal gevallen ter ore is gekomen van wat je nu #metoo jegens vrouwelijke studenten zou noemen.
Allereerst van Pia zelf. Een van de docenten probeerde zijn tong in haar mond te forceren. Maar er was ook veel billenknijperij, gluren in de douches, borsten betasten en andere niet-gewenste bejegening. Ik heb het uit de eerste en de tweede hand.
De KALO was niet in alle opzichten een veilige omgeving voor de meiden.

Eindeloos menuutje
Na de diploma-uitreiking op 10 mei 1975 gingen we met zo’n tien mede-gediplomeerden uit eten bij de Chinees Pom Lai, een paar huizen verder als ‘onze’ boekhandel Gianotten. We waren uiteraard in een uitgelaten stemming. Iedereen maakte een keuze van de kaart.
Ik nam het ‘menuutje’, een combinatie van allerlei gerechten ‘in het klein’ op de kaart: Tjap Tjoi, Fu Yang Hai, Babi Pangang, Bami, Loempia, Gado Gado enzovoort.
De porties bij de Chinees mogen er zijn, maar mijn eetlust kende die avond nauwelijks grenzen.
Toen ik alles ophad, zeiden een aantal mensen wiens maag al gevuld was: ‘Hier Ludo, dit hoort ook nog bij jouw menuutje.’ En dan schoven ze mij de ongeconsumeerde porties van hun warmhoudplaat toe.
Dat ging zo een tijdje door, totdat ook andere gasten in de gaten kregen dat hier gelachen kon worden. Binnen korte tijd liep ik rond door Pom Lai om onder bulderend gelach van allerlei tafels overgebleven lekkernijen ‘van mijn menuutje’ naar mijn bord over te hevelen.

Studentengalerij

Studenten van de Sportacademie hebben bijna allemaal een positieve levensvisie, een vrolijke doe-mentaliteit en veel samenwerkings-DNA. Ik geloof niet dat ik ooit een mede-student niet sympathiek heb gevonden.
Een aantal medestudenten die hierboven nog niet aan de orde geweest zijn of verderop niet aan de orde komen, wil ik hier noemen. Omdat ik speciale, goede herinneringen aan ze heb. Dat hoeft niet nader uitgewerkt te worden.
Beatrijs van der Weijden, Jan Baggen, Marlou Förster, Marlies Heuts, Ton Biessels (in 2020 – veel te vroeg dus – overleden), Margret Hendriks, Bert Loozen, Robert van Diek (uit Neede 🤪, veel te vroeg aan leukemie overleden), Irmgard van Himbergen, Hennie Morshuis, Kees Brok, Jan Luijks, Nienke Wingelaar, Hanneke Lemmens, Rianne Maas, Mariet Jansen, Marie-Louise Sprockel.

De lijst van op deze webpagina genoemde sympathieke studiegenoten is verre van compleet en zal bij tijd en wijle aangevuld worden.

Next step

Tijdens mijn Sportacademietijd ontdekte ik mijn passie voor de Anatomie en Fysiologie van de Mens. En in het vierde jaar wist ik het zeker: geen betere plek – in mijn ogen – om dat verder te ontwikkelen dan op de nog jonge Faculteit Bewegingswetenschappen aan de VU in Amsterdam. In die tijd was het ‘stapelen’ van studies nog geen enkel probleem en ook het verkrijgen van beurzen/leningen bleef gunstig.

Evaluatie…

Ik heb mijn vier jaren op de Sportacademie intens geleefd en veel geleerd, zonder overigens de intentie om gymnastiekleraar te worden. Het was een van de mooiste perioden van mijn leven. Dus was het een van de allerbeste beslissingen van mijn leven om er te gaan studeren.
En dat terwijl het objectief beschouwd een werkelijk waardeloze opleiding was in het licht van het bedoelde latere beroep…
Dat is kras om zo te stellen maar ‘wij’, het ‘clubje-voor-het-leven’ van de b-klas (Mathieu, Kees, Henk, André, Ben, Frans, Herman en ik), vinden dat allemaal. In essentie leidde de Academie niet op voor de competenties die in de praktijk van ons gevraagd zouden worden.
Ik vroeg aan Frans om het waarom daarvan helder op schrift te stellen. Frans heeft het namelijk in zijn latere functie op het CIOS in Overveen heel anders gedaan.
Om te beginnen mijn eigen evaluatie:

Wereldvreemd
Je kunt het je bijna niet voorstellen dat er op de Sportacademie tot ver in de jaren zeventig hoger beroepsonderwijs gegeven werd in een setting waarbij jonge, volwassen vrouwen en dito mannen in gescheiden klassen waren ingedeeld, bij alle praktijkvakken en vrijwel alle theorievakken. De culturele revolutie van de jaren zestig was wat dit betreft volledig aan de KALO voorbij gegaan.
Daarenboven was er een volkomen achterhaalde onderwijsfilosofie: ‘De Oostenrijkse School’. Daarin was de leerstof – kort getypeerd – afgeleid van het klassieke turnen, de klassieke atletiek, de klassieke balspelen.
Er was geen enkele aandacht voor gewone kinderspelletjes, voor straatspelen of voor bewegingsliedjes zoals ‘
Moest dwalen‘.
Er werd ronduit met dédain gesproken over de opkomst van sportscholen. Voor dansen noch bewegingstheater was aandacht. Schaatsen, rolschaatsen, tafeltennis, badminton en wielrennen bestonden niet.
Er was nul aandacht voor voeding, voor lichaamsverzorging, voor het aanmoedigen van ‘een leven lang bewegen’, voor een gezonde leefstijl met een goede balans in mentaal en fysiek welzijn.
En elke ‘politieke’ scholing om invulling te geven aan de verantwoordelijkheid van gymnastiekdocenten om elke dag bewegingsonderwijs op de scholen te bepleiten was afwezig.

Frans voltooide die met zijn eigen verhaal. Lezen!

… en vervolg

Hieronder een foto van ‘ons b-clubje’, (minus Frans) november 1985.
Eigenlijk hoort ook Marcel Gerards daarbij. Die moest helaas al na het eerste jaar zijn ‘droom’ opgeven vanwege problemen met het bewegingsapparaat. Dat neemt niet weg dat we – nu meer dan ooit – bevriend zijn gebleven, ook met zijn vrouw Marianne Kleijnen.

Kees van Gemert – Mathieu Geelen – André Göring – Ben van Esch – Henk van Hak – Herman Hofschreuder, (reünie 35ste Thomas-dagen 8 en 9 november 1985)

Toeval bestaat
Drie van de bovenstaande ALO-vrienden – Mathieu, André en Herman – kregen een zoon als eerste kind.
Ze noemden hem… Bram.

In 1994 organiseerde ik een Hoge Venen 3-daagse waaraan Kees, Ben, Mathieu en André deelnamen. Geweldig.
André meende dat zijn kletterschoenen (met harde zool) uit 1974 nog wel van pas kwamen. Hij moest ons helaas na twee dagen verlaten vanwege een en al blaren. Ook voor Ben was de tocht een ongebruikelijke inspanning. Hij vergezelde André terug naar Nederland.

Frans ‘vond ik terug’ op schaatsbaan De Meent in Alkmaar. Wij hernieuwden onze vriendschap.

Bewegen is Leven
Frans voert een mooie en passende variant op
cogito ergo sum (ik denk dus ik ben) als levensmotto: moveo ergo sum (ik beweeg dus ik ben).

Op 1 juli 2016 organiseerden Kees en Henk een mini-reünie in Den Bosch. Daarbij waren ook andere jaargenoten van de partij: Herman Hermans, Paul Goossens, Louis Geenen, Adje van de Elshout, Wil Dielis en Charles Engelen.

vlnr: Frans, Charles, Adje, Louis, André – Herman, Marcel, Wil, Paul, Ludo

In recente jaren (1 november 2023 en 20 november 2024) organiseerde ik KALO-mini-reünies in Leiden.

1 november 2023, Leiden

20 november 2024, Leiden

En na lang zoeken vond ik op 19 januari 2025 Herman Hofschreuder (en zijn vrouw Jeanny) terug.
Op dinsdag 8 april 2025 hadden we een fijn weerzien in Leiden.

Ook André is weer aangesloten op onze WhatsApp-groep ‘Mini-reünie KALO.

Op dinsdag 10 juni 2025 schreef Ben op die app:

Ik sloot mij 100% aan bij Bens observatie.
Later op de dag werd een memorabele foto gepost:

Henk  –  Cees Slaats  –  Kees  –  Ben

En nog weer later:

Taart met bekende gezichten

Als bijkomend gevolg van al deze activiteiten spraken Leo van der Weegen en ik af in Leiden. We hadden een memorabele dag. Bijkletsen, rondleiding in de Huishoudschool, Hortus, lunch in Barrera, Hortus, Singelpark, borrel in De Vriend.

Ludo (73) – Leo (86), zaterdag 2 augustus, Leiden

Leo is helemaal ‘vol’ van het door hem ontwikkelde vitaliteitsprogramma voor ouderen (65+ tot 85+). Ik bood aan hem te helpen bij het pitchen van het programma in de publiciteit en om na te denken over hoe het programma ‘geadopteerd’ zou kunnen worden door een jonge garde bewegingsconsulenten.

Komende november is een Mini-reünie van ons clubje gepland, bij Fontys in Eindhoven. Mathieu heeft zijn oudste zoon Bram, ook ALO, gevraagd en bereid gevonden om voor ons een excursie naar de huidige opleidingsfaciliteiten te regelen.
We verheugen ons!
We nodigden onze favoriete docenten Cees Slaats en Leo van der Weegen uit voor ons afsluitende etentje. Leo heeft laten weten van de partij te willen zijn. Helaas voelt Cees – die op 6 juli 2025 zijn 89ste verjaardag vierde! – zich te breekbaar om te participeren.

Contact